Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS6046

Datum uitspraak2005-02-10
Datum gepubliceerd2005-02-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 05/320 WET
Statusgepubliceerd


Indicatie

Onderzoek naar geschiktheid om motorrijtuigen te besturen. Schorsing van de geldigheid van rijbewijs. Niet horen in strijd met art. 4:8 Awb.


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen Voorlopige voorzieningen UITSPRAAK in de zaken met reg.nr. AWB 05/320 WET van: A, wonende te B, verzoeker, vertegenwoordigd door mr. A. Caddeo, tegen: de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder. 1. PROCESVERLOOP Ter griffie is op 21 januari 2005 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 21 januari 2005 gericht tegen het besluit van verweerder van 21 december 2004. Het onderzoek is gesloten ter zitting van 4 februari 2005. 2. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op alle betrokken belangen dat vereist. De Politie Amsterdam - Amstelland heeft op 16 december 2004 aan verweerder medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven. In de mededeling wordt aangegeven dat verzoeker op 30 oktober 2004 als bestuurder van een motorrijtuig een politieagent heeft aangereden. De agent heeft getracht verzoeker staande te houden nadat zich een conflict van gewelddadige aard had voorgedaan tussen verzoeker en een andere taxichauffeur. Op 3 mei 2004 is verzoeker een stopteken gegeven in verband met het vermoeden dat hij als bestuurder van een motorvoertuig niet handsfree aan het bellen was. Vervolgens is verzoeker aangehouden nadat hij zich agressief had gedragen toen de agent een onderzoek wilde instellen. Op 18 april 2004 reed verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig over een busbaan zonder opheffing. Bij het uitschrijven van de bekeuring was verzoeker aan het provoceren. Nadat de verbalisant was weggereden reed verzoeker nogmaals opzettelijk over de busbaan, Verzoeker komt meerdere malen voor in het politieregistratiesysteem wegens, belediging, vuurwapenbezit, vernieling, oplichting, verzet en verkeerszaken. Bij besluit van 21 december 2004 heeft verweerder hierop bepaald dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid om motorrijtuigen te besturen. Voorts is besloten dat de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker voor alle categorieën wordt geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent de geldigheid van het rijbewijs wordt genomen. Overwogen is dat op grond van artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) en artikel 6, tweede lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, laatstelijk gewijzigd bij ministeriele regeling van 12 mei 2004 Stcrt 2004,91 (hierna: de Regeling) een onderzoek naar de geschiktheid wordt opgelegd bij ernstig gestoord inzicht of gedrag en/of ernstig onaangepast rijgedrag. Op grond van de artikelen 131 WVW 1994 en de artikelen 5 en 7 van de Regeling wordt de geldigheid van het rijbewijs geschorst wanneer een betrokkene bewust is ingereden op een andere weggebruiker. Namens verzoeker is verzocht te beslissen dat zijn rijbewijs aan hem wordt teruggeven, althans zodanige voorzieningen te treffen dat hij als automobilist kan deelnemen aan het verkeer. Gesteld is dat hij zijn rijbewijs dringend nodig heeft voor zijn werk als taxichauffeur. Voorts wenst hij niet me te werken aan een onderzoek door een psychiater. Verzoeker stelt zich daarbij primair op het standpunt dat verweerder bij het nemen van het thans bestreden besluit het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb heeft geschonden. Verzoeker voert daartoe aan dat verweerder hem –verzoeker– niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord op verweerders voornemen om onderzoek naar de geschiktheid op te leggen en de geldigheid van zijn rijbewijs te schorsen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat onaannemelijk is dat, indien verzoeker voorafgaand aan het besluit zou zijn gehoord, dit zou hebben geleid tot een andersluidend besluit. Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien: a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en b. die gegevens niet door die belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. Verweerder heeft besloten verzoeker aan een onderzoek naar zijn geschiktheid te onderwerpen, omdat de in de mededeling van de politie opgenomen gegevens het vermoeden rechtvaardigen dat verzoeker niet langer de geestelijke geschiktheid bezit voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Voorts zou uit deze gegevens zijn gebleken dat verzoeker bewust is ingereden op een andere weggebruiker, hetgeen verweerder heeft doen besluiten de geldigheid van verzoekers rijbewijs te schorsen. Verzoeker betwist de in de mededeling opgenomen gegevens. Vastgesteld wordt dat verweerder voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit verzoeker niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Gelet op de aard van verweerders besluit had het voor verweerder duidelijk moeten zijn dat verzoeker tegen het thans bestreden besluit bedenkingen zou hebben. Verweerder was dan ook op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb gehouden verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens het bestreden besluit te nemen. Met het nemen van het bestreden besluit was ook geen zodanige spoed gemoeid dat verweerder om die reden niet aan de wettelijke verplichting van artikel 4:8 van de Awb kon voldoen. Vastgesteld wordt dan ook dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid van de Awb. Verweerders standpunt dat onaannemelijk is dat verzoekers zienswijze zou hebben geleid tot een andersluidend besluit, getuigt overigens niet van een objectief en zorgvuldig besluitvormingsproces zoals dat van een bestuursorgaan verwacht mag worden. Gelet op het vorenstaande en de belangen van verzoeker bij schorsing van het bestreden besluit, is er aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en de werking van bestreden besluit op te schorten totdat verweerder verzoeker de gelegenheid heeft gegeven zijn zienswijze over de aan het besluit ten grondslag liggende feiten naar voren te brengen en deze op een objectieve en zorgvuldige wijze bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Verweerder kan daartoe de bezwaarfase benutten. Het bestreden besluit wordt dan ook geschorst, tot zes weken na verzending van de beslissing op het namens verzoeker ingediende bezwaarschrift. Het vorenstaande leidt er toe dat de overige grieven van verzoeker geen bespreking behoeven. Nu het verzoek wordt toegewezen, acht de rechter termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van dit verzoek heeft moeten maken. Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1 en 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van rechtsbijstand begroot op € 644,--. Voorts dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Beslist wordt als volgt. 3. BESLISSING De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe; - schorst het besluit van verweerder van 21 december 2004 tot zes weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van verzoeker heeft beslist; - veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op € 644,--, te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoeker; - bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 136,-- aan hem dient te vergoeden. Gewezen door mr. R.W.L. Koopmans, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier, en openbaar gemaakt op: 10 februari 2005. De griffier, De voorzieningenrechter, Afschrift verzonden op: DOC: C