Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS6201

Datum uitspraak2005-02-10
Datum gepubliceerd2005-02-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200500348/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 30 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Niedorp (hierna: het college) aan [aanvrager] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats].


Uitspraak

200500348/2. Datum uitspraak: 10 februari 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer: [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C] en [verzoeker D] allen wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 december 2004 in het geding tussen: verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van Niedorp. 1.    Procesverloop Bij besluit van 30 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Niedorp (hierna: het college) aan [aanvrager] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats]. Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft het college het daartegen door onder meer verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 december 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door onder meer verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben onder meer verzoekers bij brief van 12 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 januari 2005. Bij brief van 20 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 februari 2005, waar verzoekers in persoon, bijgestaan door mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Hink, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is [aanvrager], in persoon, bijgestaan door mr. E.W.J. de Groot, advocaat te Breda, daar gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard. 2.2.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet verleend hadden mogen worden. In dit verband is van belang dat [verzoeker A] en [verzoeker B] geen zicht zullen hebben op de woning en [verzoeker C] en [verzoeker D] alleen vanuit hun tuin, terwijl zij ook geen van allen op korte afstand daarvan wonen. Verder is het bouwplan voor de bedrijfswoning een sluitstuk van de inmiddels gerealiseerde – in het algemeen belang ondernomen - verplaatsing van de hoofdvestiging van het agrarisch loonbedrijf vanuit de kern Kolhorn, waar het ook de beschikking had over een bedrijfswoning en is de in planologisch opzicht als bedrijfswoning aan te merken woning [locatie 2] door de geheel nieuwe inrichting en ontsluiting van het terrein als zodanig minder geschikt en overigens ook niet beschikbaar. Onder die omstandigheden en gelet op de betrokken belangen, bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen. 2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn    w.g. Nolles Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2005 291.