Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS7559

Datum uitspraak2005-02-24
Datum gepubliceerd2005-02-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers17/081182094 VON
Statusgepubliceerd


Indicatie

Onderzoek feiten onvolledig, reconstructie, deskundige


Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden Sector strafrecht VONNIS Uitspraak: 24 februari 2005 Parketnummer: 17/081182-04 Ad informandum gevoegd parketnummer 17/047293-04. VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans gedetineerd in P.I. Noord, gevangenis De Marwei, te Leeuwarden. De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 14 februari 2005. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Scholtmeijer, advocaat te Heerenveen. TELASTELEGGING Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. BERAADSLAGING De rechtbank is tijdens de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het onderzoek naar de feiten onvolledig is geweest. Naar aanleiding van het proces-verbaal van reconstructie vraagt de rechtbank zich het volgende af. Getuige [naam getuige] heeft verklaard (bladzijde 66 tot en met 69 van het proces-verbaal) dat zij zag dat het slachtoffer op de buik lag, met de benen richting de flat en met het hoofd in de richting van het parkeerterrein. Bij de reconstructie is men uitgegaan van een bepaalde manier van vallen door het slachtoffer. De rechtbank vraagt zich af of het slachtoffer door de manier van vallen, waarvan uitgegaan werd bij de uitgevoerde reconstructie, op de wijze zoals omschreven door getuige [naam getuige] op de grond terecht heeft kunnen komen. Mocht het antwoord op deze vraag ontkennend zijn, dan vraagt de rechtbank zich af op welke wijze het slachtoffer, in de situatie van de uitgevoerde reconstructie, op de grond terecht zou zijn gekomen en in welke positie zij dan op de grond zou hebben gelegen. Gezien het bovenstaande acht de rechtbank het noodzakelijk een nieuwe reconstructie te laten uitvoeren waarbij de genoemde vragen onderzocht en beantwoord kunnen worden. Hiertoe zal de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting hervatten en de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde een deskundige te benoemen die de nieuwe reconstructie zal gaan uitvoeren. Nu de algemene ervaring leert dat dit niet binnen één maand kan geschieden, zal de hervatting van het onderzoek plaats vinden binnen drie maanden na deze uitspraak. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT RECHTDOENDE: Beveelt dat het onderzoek ter terechtzitting dient te worden hervat op een nader te bepalen dag en uur, binnen 3 maanden na deze uitspraak. Verwijst de zaak naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde een deskundige te benoemen die een nieuwe reconstructie uit zal gaan voeren waarbij de door de rechtbank gestelde vragen als uitgangspunt genomen worden. Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Olthuis, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. L.A.D. Lindenbergh, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2005. Mr. Lindenbergh is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.