
Jurisprudentie
AS8426
Datum uitspraak2005-03-02
Datum gepubliceerd2005-03-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200402160/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-03-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200402160/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij brief van 12 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: het college) appellanten medegedeeld dat het zich genoodzaakt ziet de aan appellanten verleende toestemming voor het plaatsen van bloempotten op een groenstrook van de gemeente in te trekken, alsmede dat voor het plaatsen van bloempotten geen vergunning wordt verleend.
Uitspraak
200402160/1.
Datum uitspraak: 2 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 januari 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland.
1. Procesverloop
Bij brief van 12 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: het college) appellanten medegedeeld dat het zich genoodzaakt ziet de aan appellanten verleende toestemming voor het plaatsen van bloempotten op een groenstrook van de gemeente in te trekken, alsmede dat voor het plaatsen van bloempotten geen vergunning wordt verleend.
Bij besluit van 10 juni 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 30 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 23 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn op 5 januari 2005 nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan het college toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2005, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door A.M. Ghering- van Duijn, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten hebben bloempotten geplaatst op een strook grond grenzend aan hun perceel, om te voorkomen dat deze strook als parkeerplaats werd gebruikt. Hoewel het college daar aanvankelijk schriftelijk mee had ingestemd, is het in de brief van 12 maart 2003 van dat standpunt teruggekomen. Het college wees er daarbij op dat het hier om een gedeelte van de openbare weg ging en dat de bloempotten een belemmering vormden voor de bruikbaarheid en doelmatigheid alsmede het doelmatig onderhoud en beheer daarvan. Uit de brief van 9 oktober 2003 van het college blijkt evenwel dat het inmiddels het standpunt van appellanten deelt dat op de strook grond de bestemming groenvoorziening rust en dat het maatregelen heeft getroffen ter handhaving van die bestemming, onder meer bestaande uit het plaatsen van palen en het beplanten van de groenstrook. Daarmee is voorzien in hetgeen appellanten feitelijk met de onderhavige procedure trachtten te bereiken.
2.2. Appellanten stellen desondanks nog belang te hebben bij een uitspraak op hun hoger beroep vanwege gemaakte proceskosten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 18 september 2002 in zaak no. 200102917/1 (AB 2003/41), vormt de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van een beroep over te gaan. Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht stelt namelijk niet als eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld, in het ongelijk is gesteld. Indien, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak zelf, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.3. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Haverkamp
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005
306-402.

