
Jurisprudentie
AS9035
Datum uitspraak2005-06-17
Datum gepubliceerd2005-06-17
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR04/079HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-06-17
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR04/079HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
17 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/079HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. F.A.M. van Bree, t e g e n 1. DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND VAN DE GEMEENTE 's-GRAVENHAGE, gevestigd te 's-Gravenhage, 2. [De man], wonende te [woonplaats], Saudië Arabië, VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Conclusie anoniem
Rek.nr. R04/079HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 28 febr. 2005
conclusie inzake
[de vrouw]
tegen
1. De Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de Gemeente 's-Gravenhage
2. [de man]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak, betreffende een verzoek ex art. 1:24 BW tot verbetering van een geboorteakte, om de vraag of een in België gesloten zgn. "Imamhuwelijk" in Nederland als rechtsgeldig kan worden erkend.
2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in de tussenbeschikking van het hof d.d. 15 mei 2002 onder het hoofdje "Vaststaande feiten" en in de eindbeschikking van het hof d.d. 17 maart 2004 in r.o. 2 en 6. Zij komen op het volgende neer.
(i) Tussen thans verzoekster van cassatie, hierna: de vrouw, en thans verweerder in cassatie sub 2, hierna: de man, is op 19 juni 1993 te [plaats], België, naar Saoedi-Arabisch recht een huwelijk voltrokken door de Imam [betrokkene 1].
(ii) Op [geboortedatum] 1994 is de vrouw te 's-Gravenhage bevallen van een dochter, hierna: [het kind]. De man is de biologische vader van [het kind].
(iii) De man heeft aangifte gedaan van de geboorte van [het kind]. (iv) Volgens de op 6 februari 1995 door de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage opgemaakte geboorteakte luiden de voornamen van [het kind]: [KHS]. Op haar geboorteakte staat geen geslachtsnaam vermeld. Op de akte staat als geslachtsnaam van de vader vermeld: [de man].
(v) [het kind] staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Leiden onder de geslachtsnaam: [geslachtsnaam]. Een voornaam staat in die administratie niet vermeld.
(vi) De vrouw heeft op 20 juni 1997 de samenwoning met de man verbroken met medeneming van [het kind].
(vii) De vrouw heeft zowel de Nederlandse als de Saoedi-Arabische nationaliteit. Zij staat en stond in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerd met de vermelding "geen huwelijk of geregistreerd partnerschap".
(viii) De man heeft de Saoedi-Arabische nationaliteit. Ten tijde van de aangifte van de geboorte van [het kind] was hij werkzaam als diplomaat bij de ambassade van Saoedi-Arabië in Nederland en stond hij derhalve niet geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Toentertijd stond de man bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken geregistreerd als gehuwd met de vrouw. Bij aangifte van de geboorte heeft de man verklaard dat het tussen hem en de vrouw gesloten huwelijk is geregistreerd in Saoedi-Arabië.
(ix) Op 12 maart 2001 heeft de Directeur van het Islamitisch Cultureel Centrum in [plaats], België, een kennisgeving afgegeven, waaruit blijkt dat het tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk op 27 september 1993 is gelegaliseerd door de ambassade van Saoedi-Arabië te Brussel.
3. De vrouw heeft op 9 augustus 2000 bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoekschrift ex art. 1:24 BW ingediend tot verbetering van de geboorteakte van [het kind] ten aanzien van onder meer de daarin vermelde geslachtsnaam en voornamen van [het kind]. Ten grondslag aan haar verzoekschrift heeft de vrouw onder meer gelegd dat het in België tussen de man en de vrouw voltrokken huwelijk in Nederland niet als rechtsgeldig kan worden erkend, zodat de man ten onrechte als de vader van het kind in de geboorteakte staat vermeld.
4. Nadat thans verweerder in cassatie sub 1, hierna: de ambtenaar van de burgerlijke stand, het verzoek van de vrouw had bestreden (de man diende geen verweerschrift in en verscheen niet ter terechtzitting), heeft de rechtbank bij beschikking van 26 februari 2001 de verzoeken van de vrouw afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat het huwelijk naar Belgisch recht als geldig moet worden beschouwd en ingevolge art. 5 lid 1 Wet conflictenrecht huwelijk in Nederland moet worden erkend, zodat de man ingevolge art. 1:197 (oud) BW de vader van [het kind] is en geen onjuiste gegevens zijn opgenomen in de geboorteakte van [het kind].
5. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft zij haar verzoek gewijzigd en aangevuld. Voor zover thans in cassatie van belang verzocht zij het hof:
(a) voor recht te verklaren dat tussen de man en de vrouw geen huwelijk is gesloten, althans dat het tussen hen gesloten (religieuze) huwelijk non-existent is en dat niet is gebleken van enig ander (rechtsgeldig) huwelijk;
(b) voor recht te verklaren dat er tussen de man en [het kind] geen familierechtelijke relatie bestaat en dat [het kind] derhalve de geslachtsnaam van de vrouw heeft, al dan niet met opdracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om als geslachtsnaam van [het kind] "[achternaam van de vrouw]" te vermelden;
(c) de voornamen van [het kind] te wijzigen van [KHS] in [K], althans de ambtenaar van de burgerlijke stand opdracht te geven de voornamen [HS] te verwijderen.
6. Na een tussenbeschikking van 15 mei 2002, heeft het hof bij eindbeschikking van 17 maart 2004 de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
7. Het door de vrouw onder (a) verzochte heeft het hof afgewezen op grond van de volgende - samengevat weergegeven - overwegingen. De vraag of een huwelijk tussen de vrouw en de man is totstandgekomen wordt op grond van art. 2 en 3 van het Haagse Huwelijksverdrag (Verdrag van 14 maart 1978, Trb. 1987, 137) en art. 5 lid 1 Wet conflictenrecht huwelijk beoordeeld naar het rechtsstelsel dat van toepassing is op de vraag of het huwelijk formeel en materieel geldig is totstandgekomen (r.o. 1). Waar tussen partijen vaststaat dat op 19 juni 1993 te [plaats] naar Saoedi-Arabisch recht een huwelijk is voltrokken in aanwezigheid van de imam, beheerst Belgisch recht de vraag naar de formele en materiële geldigheid van het huwelijk (r.o. 2). Blijkens het verzoekschrift in eerste aanleg van de vrouw is zij 'een zogenoemd "Imamhuwelijk" aangegaan met [de man]'. Mede uitgaande van de gemeenschappelijke Saoedi-Arabische nationaliteit van de man en de vrouw, leidt het hof daaruit af dat de vrouw alstoen ervan uitging dat zij daarmee een rechtsgeldig huwelijk is aangegaan. Die gevolgtrekking vindt bevestiging in een brief van 4 september 2000 van de vrouw aan mr Van Acker en in het op aanvraag van de vrouw afgegeven attest van de directeur van het Islamitisch Cultureel Centrum België van 12 maart 2001. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken gaat het hof ervan uit dat de vrouw te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging. Dat de vrouw daarnaast ook nog de Nederlandse nationaliteit bezat doet hieraan niet af (r.o. 3). Onder deze omstandigheden is naar Belgisch recht sprake van een geldig huwelijk, zij het dat eveneens sprake is van een volstrekte nietigheidsgrond zodat het huwelijk als gevolg daarvan nietig kan worden verklaard. Voor zover het verzoek strekt tot afgifte van een verklaring voor recht dat tussen de man en de vrouw geen huwelijk is gesloten moet het derhalve worden afgewezen. Dat lot treft op dezelfde gronden ook het verzoek het huwelijk non existent te verklaren, aldus nog steeds het hof (r.o. 4).
Mede op grond van dit een en ander heeft het hof ook het door de vrouw onder (b) en (c) verzochte niet toewijsbaar geoordeeld.
8. Tegen de eindbeschikking van het hof is de vrouw (tijdig) in cassatie gekomen met een uit zes onderdelen opgebouwd middel. De ambtenaar van de burgerlijke stand, noch de man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend.
9. De onderdelen 1 t/m 5 van het middel keren zich tegen de gronden waarop het hof het door de vrouw onder (a) verzochte heeft afgewezen.
10. Onderdeel 1 klaagt dat het hof, voor zover het zich in r.o. 1 slechts de vraag heeft gesteld of een huwelijk tussen de man en de vrouw is totstandgekomen, heeft miskend dat het in verband met het door de vrouw verzochte had te onderzoeken de (voor)vraag of het huwelijk hier te lande als rechtsgeldig kan worden erkend.
11. Voor zover het onderdeel strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat het niet de vraag had te beantwoorden of naar Belgisch recht een huwelijk tussen de vrouw en de man is totstandgekomen, maar had te beoordelen of het in België tussen de vrouw en de man voltrokken huwelijk hier te lande als rechtsgeldig kan worden erkend, faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Ingevolge art. 9 lid 1 van het Haagse Huwelijksverdrag en art. 5 lid 1 van de Wet conflictenrecht huwelijk wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de Staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is, als zodanig erkend. Het hof had derhalve te onderzoeken of het tussen de vrouw en de man in België gesloten huwelijk naar Belgisch recht zowel materieel als formeel rechtsgeldig is. Dat heeft het hof blijkens r.o. 1 t/m 4 van de bestreden beschikking gedaan.
12. Voor zover het onderdeel strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat het de vraag of het tussen de vrouw en de man in België gesloten huwelijk hier te lande als rechtsgeldig kan worden erkend, niet als hoofdvraag, maar als zgn. voorvraag had te beantwoorden, faalt het reeds wegens gebrek aan belang. Ingevolge art. 12 lid 1 van het Haagse Huwelijksverdrag en art. 7 van de Wet conflictenrecht huwelijk dient de vraag naar de erkenning van de rechtsgeldigheid van een buiten Nederland gesloten huwelijk, indien deze vraag zich aandient als zgn. voorvraag, op dezelfde wijze te worden beoordeeld als indien die vraag zich als hoofdvraag aandient. De voorvraag wordt, behoudens de niet in de Wet conflictenrecht huwelijk overgenomen uitzondering van art. 12 lid 2 Haagse Huwelijksverdrag, derhalve zelfstandig aangeknoopt. Zie L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 7e dr. 2002, nr. 111 en nrs. 57-61. Dit betekent dat ongeacht of de erkenning van de rechtsgeldigheid van een buiten Nederland gesloten huwelijk als hoofdvraag dan wel als voorvraag aan de orde wordt gesteld, steeds het bepaalde in art. 9 jo. art. 2 en 3 van het Haagse Huwelijksverdrag en het bepaalde in art. 5 lid 1 van de Wet conflictenrecht huwelijk beslissend is. Al aangenomen dat het hof niet zou hebben onderkend dat vraag of het in België tussen de vrouw en de man gesloten huwelijk als rechtsgeldig kan worden erkend in deze zaak als een voorvraag is aan te merken, maakt dat voor de ter beantwoording van die vraag toe te passen maatstaf geen verschil: ook dan moet - zoals het hof blijkens r.o. 1 t/m 4 van de bestreden beschikking ook heeft gedaan - die vraag worden beoordeeld naar het rechtsstelsel dat op grond van art. 2 en 3 van het Haagse Huwelijksverdrag en art. 5 lid 1 Wet conflictenrecht huwelijk van toepassing is op de vraag of het huwelijk formeel en materieel geldig is totstandgekomen.
13. Onderdeel 1 is, zo volgt, tevergeefs voorgesteld.
14. Onderdeel 2, dat kennelijk voortbouwt op onderdeel 1, moet het lot daarvan delen. Uit de samenhang tussen r.o. 2 en r.o. 4 blijkt dat het hof, waar het in r.o. 4 vaststelt dat er naar Belgisch recht sprake is van een huwelijk, daarmee heeft bedoeld dat naar Belgisch recht sprake is van een rechtsgeldig huwelijk.
15. Onderdeel 3 verwijt het hof ten onrechte niet (ambtshalve of naar aanleiding van het beroep van de vrouw op de openbare orde in het beroepschrift in de nrs. 11 en 12) te hebben onderzocht of de erkenning in Nederland van het Imamhuwelijk niet wegens strijd met de openbare orde geweigerd zou moeten worden, althans zijn oordeel dat er geen sprake is van strijd met de openbare orde, onvoldoende te hebben gemotiveerd.
16. Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het hof ambtshalve had behoren te onderzoeken of de erkenning in Nederland van het Imamhuwelijk afstuit op de openbare orde, faalt het wegens gebrek aan belang. Het onderdeel geeft immers niet aan welke fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde zich tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van een Imamhuwelijk zouden verzetten. De enkele omstandigheid dat een huwelijk is - en volgens de lex loci celebrationis ook rechtsgeldig kon worden - gesloten ten overstaan van een religieuze autoriteit is in ieder geval niet voldoende om erkenning in Nederland van de rechtsgeldigheid van een zodanig huwelijk in strijd te achten met de Nederlandse openbare orde.
17. Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het hof naar aanleiding van het beroep van de vrouw op de openbare orde in het beroepschrift onder de nrs. 11 en 12 had behoren te onderzoeken of de erkenning in Nederland van het Imamhuwelijk afstuit op de openbare orde, faalt het evenzeer. T.a.p. stelde de vrouw ter toelichting op haar grief dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat er tussen partijen een rechtsgeldig huwelijk is gesloten (grief I) en haar grief dat de rechtbank ten onrechte geen verklaring voor recht gegeven heeft dat het huwelijk van partijen non-existent is (grief II), dat
"de rechtbank heeft beslist dat een huwelijk gesloten door een Imam in Nederland niet voor erkenning in aanmerking kan komen. Dit zou ook in strijd zijn met de openbare orde. Een religieus huwelijk mag zowel in Nederland als in België niet gesloten worden voordat er een huwelijk naar Burgerlijk recht is voltrokken."
Dat het hof aan deze stelling is voorbijgegaan is - ook zonder nadere motivering - niet onbegrijpelijk: de stelling berust klaarblijkelijk op een verkeerde lezing van de beschikking van de rechtbank, nu de stelling kennelijk is ontleend aan de eerste alinea onder het hoofdje "Beoordeling" van die beschikking, in welke alinea niet het oordeel van de rechtbank, doch de stellingen van de vrouw worden weergegeven.
18. Onderdeel 4 neemt stelling tegen het oordeel van het hof - in r.o. 3 - dat de vrouw destijds ervan uitging dat zij met het Imamhuwelijk een rechtsgeldig huwelijk is aangegaan en dat zij te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging. Het onderdeel acht deze oordelen van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van het door de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gestelde. Het hof zou zich met deze oordelen in ieder geval hebben schuldig gemaakt aan een ongeoorloofde verrassingsbeslissing.
19. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. 's Hofs oordeel berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden waardering van hetgeen ten processe is gebleken en van de in het geding gebrachte schriftelijke stukken. Daarbij heeft het hof kennelijk doorslaggevende betekenis toegekend aan de in r.o. 3 van de bestreden beschikking genoemde stukken. Uit die stukken heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de vrouw destijds ervan uitging dat zij met het Imamhuwelijk een rechtsgeldig huwelijk is aangegaan en dat zij te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging. Van een ongeoorloofde verrassingsbeslissing is geen sprake, nu de vraag of de vrouw destijds ervan uitging dat zij met het Imamhuwelijk een rechtsgeldig huwelijk is aangegaan en of zij te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging, in ieder geval tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aan de orde is gesteld en de vrouw zich daarover heeft kunnen uitlaten.
20. Onderdeel 5 keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4 - dat naar Belgisch recht sprake is van een geldig huwelijk. Het onderdeel voert aan dat de beslissing van het hof omtrent de inhoud en de uitlegging van het Belgische recht zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het onderdeel klaagt er meer in het bijzonder over dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het door het hof in r.o. 4 besproken arrest van het Belgische Hof van Cassatie van 12 december 2003.
21. Het aangevallen oordeel berust op 's hofs uitleg van het Belgische recht en, meer bepaald, van het door het hof besproken arrest van het Belgische Hof van Cassatie. De juistheid van dat oordeel kan ingevolge het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO in cassatie niet worden getoetst. De door het onderdeel opgeworpen motiveringsklachten komen erop neer dat het hof uit het Belgische arrest conclusies heeft getrokken, namelijk dat er naar Belgisch recht sprake is van een putatief en dus rechtsgeldig huwelijk, die uit dat arrest niet kunnen worden getrokken. Deze motiveringsklachten kunnen evenwel niet worden beoordeeld zonder daarbij tevens de juistheid van 's hofs oordeel inzake de inhoud van het Belgische recht en de strekking van het arrest van het Belgische Hof van Cassatie in de beoordeling te betrekken. Daaraan staat het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO in de weg. Hierop loopt het onderdeel vast.
22. Onderdeel 6 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 6 - met betrekking tot de status van [het kind]. Het onderdeel bouwt voort op de in de onderdelen 1 t/m 5 ontwikkelde klachten en zal het lot van deze onderdelen moeten delen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
17 juni 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/079HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. F.A.M. van Bree,
t e g e n
1. DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND VAN DE GEMEENTE 's-GRAVENHAGE,
gevestigd te 's-Gravenhage,
2. [De man],
wonende te [woonplaats], Saudië Arabië,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 9 augustus 2000 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van het kind [het kind], geboren op [geboortedatum] 1994, hierna: het kind, zich gewend tot die rechtbank en na wijziging bij aanvullend verzoekschrift en ter zitting van haar verzoeken, verkort weergegeven, verzocht verweerder in cassatie sub 1, hierna: de ambtenaar van de burgerlijke stand, te gelasten de geboorte-akte van het kind ten aanzien van onder meer de daarin vermelde geslachtsnaam en voornamen te verbeteren.
De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft het verzoek bestreden.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van de vrouw.
De rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2003 de verzoeken van de vrouw afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft zij haar verzoek gewijzigd en aangevuld en voor zover thans in cassatie van belang verzocht:
(a) voor recht te verklaren dat tussen verweerder in cassatie sub 2 - verder te noemen: de man - en de vrouw geen huwelijk is gesloten, althans dat het tussen hen gesloten (religieuze) huwelijk non-existent is en dat niet is gebleken van een ander (rechtsgeldig) huwelijk;
(b) voor recht te verklaren dat er tussen de man en het kind geen familierechtelijke relatie bestaat en dat het kind derhalve de geslachtsnaam van de vrouw heeft, al dan niet met opdracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om als geslachtsnaam van het kind "[achternaam van de vrouw]" te vermelden;
(c) de voornamen van het kind te wijzigen van [KHS] in [K], althans de ambtenaar van de burgerlijke stand opdracht te geven de voornamen van [HS] te verwijderen.
Na een tussenbeschikking van 15 mei 2002 heeft het hof bij eindbeschikking van 17 maart 2004 de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
Beide beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De ambtenaar van de burgerlijke stand en de man zijn in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.
In cassatie zijn in het bijzonder de volgende feiten van belang.
(i) Tussen de man, van Saudi-Arabische nationaliteit, en de vrouw, van zowel de Nederlandse als de Saudi-Arabische nationaliteit, is op 19 juni 1993 door de imam [betrokkene 1] in [plaats] (België) een huwelijk voltrokken. De man en de vrouw hebben samengewoond. Op [geboortedatum] 1994 is te 's-Gravenhage uit de vrouw een meisje geboren. De man is de biologische vader van het kind. De vrouw heeft op 20 juni 1997 de samenwoning verbroken met medeneming van het kind.
(ii) De man heeft aangifte gedaan van de geboorte van het kind. In de daarvan opgemaakte akte is hij vermeld als de vader. Hij heeft het kind naar Nederlands recht niet erkend.
3.2 De klachten in cassatie hebben alle betrekking op de voornaamste vraag die door de verzoeken van de vrouw, zoals in hoger beroep gewijzigd, aan de orde werd gesteld, namelijk of moest worden aangenomen dat de man en de vrouw ten tijde van de geboorte van het kind gehuwd waren, zulks in verband met de vraag of de man terecht in de geboorteakte is opgenomen als de vader van het kind.
3.3 In rov. 1 van zijn eindbeschikking heeft het hof overwogen:
"1. De vraag of een huwelijk tussen de vrouw en de man tot stand is gekomen wordt op grond van de artikelen 2 en 3 van het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken gesloten op 14 maart 1978 te 's-Gravenhage, Trb. 1987, 137 en artikel 5 lid 1 van de Wet conflictenrecht huwelijk beoordeeld naar de regels van het rechtsstelsel dat van toepassing is op de vraag of het huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen."
Het hof heeft hieruit vervolgens in rov. 2 afgeleid dat Belgisch recht de vraag naar de formele en materiële geldigheid van het op 19 juni 1993 te [plaats] voltrokken huwelijk beheerst. Naar Belgisch recht, aldus het hof, dient een huwelijksvoltrekking in België bij uitsluiting te geschieden ten overstaan van de Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand. Een uitzondering bestaat voor huwelijken die worden gesloten door een consulaire of diplomatieke ambtenaar. Het huwelijk is niet door een consulair of diplomatiek ambtenaar van het Koninkrijk Saudi-Arabië gesloten en evenmin is gesteld of gebleken dat de imam het huwelijk heeft voltrokken als Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand. Voorts is niet gebleken dat tussen partijen anderszins een huwelijk is gesloten.
Het hof komt evenwel tot het oordeel (rov. 3) dat de vrouw ten tijde van het betrokken huwelijk ervan uitging dat zij daarmee een rechtsgeldig huwelijk is aangegaan. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken gaat het hof ervan uit dat de vrouw te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging. Onder deze omstandigheden is, aldus het hof in rov. 4, naar Belgisch recht sprake van een huwelijk, zij het dat eveneens sprake is van een volstrekte nietigheidsgrond zodat het huwelijk als gevolg daarvan nietig kan worden verklaard. In rov. 5 vermeldt het hof verder dat het subsidiaire verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk door de vrouw is ingetrokken.
3.4 Onderdeel 1, dat tegen de hiervóór in 3.3 weergegeven rov. 1 van het hof is gericht, behoeft geen behandeling, nu het slechts is ingesteld voor het geval dat de overweging aldus moet worden gelezen dat het hof geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk in Nederland kan worden erkend, en het hof blijkens de toepassing die het heeft gegeven aan de Wet conflictenrecht huwelijk en het Haags Huwelijksverdrag daarover wel heeft geoordeeld.
3.5 Onderdeel 2, dat is gericht tegen rov. 4 en de klacht behelst dat het hof ten onrechte niet heeft vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Anders dan het onderdeel aanneemt, ligt in rov. 4 - 5 het oordeel besloten dat het huwelijk onder de door het hof bedoelde omstandigheden naar Belgisch recht rechtsgeldig is zolang het niet nietig is verklaard, en dat dit laatste niet is geschied.
3.6 Onderdeel 3 klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of de erkenning in Nederland van het imamhuwelijk niet wegens strijd met de openbare orde geweigerd zou moeten worden, althans zijn oordeel dat er geen sprake is van strijd met de openbare orde, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het onderdeel werkt niet uit, tot welke conclusies het gewenste onderzoek had behoren te leiden, noch welke essentiële stellingen het hof ten onrechte niet in zijn motivering heeft betrokken. Het onderdeel voldoet derhalve niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. en kan daarom niet tot cassatie leiden.
3.7 Onderdeel 4 is gericht tegen de oordelen van het hof in rov. 3 van de eindbeschikking, dat de vrouw ten tijde van het aangaan van het huwelijk ervan uitging dat zij daarmee een rechtsgeldig huwelijk is aangegaan, en dat, nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, het hof ervan uitgaat dat de vrouw te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging. Het onderdeel klaagt dat deze oordelen onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn in het licht van het door de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gestelde, dat zowel zij als de man (ten tijde van de huwelijkssluiting) wist dat hun islamitische huwelijk (in Nederland) geen juridische gevolgen zou hebben. Dat de vrouw van de ongeldigheid op de hoogte was, blijkt volgens het onderdeel ook uit de omstandigheid dat de vrouw de man heeft gevraagd om het kind (dat na de huwelijkssluiting geboren is) te erkennen. Ook valt, aldus het onderdeel, zonder nadere motivering niet in te zien hoe aan de door het hof in zijn beoordeling van de goede trouw betrokken gedingstukken ontleend kan worden dat de vrouw te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging. Ten slotte klaagt het onderdeel dat het hof althans in rov. 3 een ongeoorloofde verrassingsbeslissing heeft gegeven doordat de vrouw niet in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over haar gevoelen ten tijde van de door de huwelijksvoltrekking ten aanzien van de vraag of het om een rechtsgeldig huwelijk ging. Deze klachten falen.
Het hof heeft in rov. 2 van de eindbeschikking vastgesteld dat het huwelijk is voltrokken naar Saudi-Arabisch recht. Het heeft in rov. 3 zijn oordeel dat de vrouw ten tijde van de huwelijksvoltrekking ervan uitging dat zij daarmee een rechtsgeldig huwelijk is aangegaan, gebaseerd op het feit dat de vrouw in haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft gesteld dat zij 'een zogenaamd "imamhuwelijk" is aangegaan met [de man]' en het feit dat de man en de vrouw beiden de Saudi-Arabische nationaliteit hebben, alsmede op een tweetal door de vrouw overgelegde stukken. In het licht van dit een en ander is het bedoelde oordeel niet onbegrijpelijk. Hetgeen de vrouw bij de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, noopte het hof niet tot een nadere motivering. Het hof heeft voorts zijn oordeel dat de vrouw te goeder trouw was ten aanzien van haar gevoelen destijds dat het om de voltrekking van een rechtsgeldig huwelijk ging, voldoende gemotiveerd met de vaststelling dat het tegendeel niet is gesteld of gebleken. Het onderdeel wijst ook geen stellingen in de gedingstukken aan, in het licht waarvan dit oordeel onbegrijpelijk zou zijn of nadere motivering zou behoeven. Dat het hof niet tot een ander oordeel is gekomen op grond van de omstandigheid dat de vrouw de man heeft gevraagd om het kind te erkennen, is niet onbegrijpelijk, nu het hof de situatie ten tijde van de huwelijksvoltrekking bepalend heeft geacht en de bedoelde omstandigheid eerst later plaatsvond en daaruit om die reden niet zonder meer valt af te leiden dat de vrouw al ten tijde van de voltrekking van het huwelijk wist dat dit ongeldig was. De klacht dat het hof een ongeoorloofde verrassingsbeslissing heeft gegeven, faalt reeds omdat de vrouw zich tijdens de mondelinge behandeling over haar gevoelen ten tijde van de huwelijksvoltrekking heeft uitgelaten.
3.8 Onderdeel 5 richt klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 4 van de eindbeschikking over de inhoud van het Belgische recht.
De in het onderdeel aangevoerde klachten kunnen niet worden beoordeeld zonder in die beoordeling mede te betrekken de juistheid van de opvattingen betreffende de inhoud van het Belgische recht, waarvan het hof is uitgegaan. Op grond van art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO kan evenwel de juistheid van die opvattingen in cassatie niet ter discussie worden gesteld, zodat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden.
3.9 Het hiervoor overwogene brengt mee dat ook onderdeel 6, dat geen zelfstandige betekenis heeft, faalt.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 17 juni 2005.

