Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT3218

Datum uitspraak2005-03-17
Datum gepubliceerd2005-04-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2620 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing periodieke uitkering als weduwnaar. Is het overlijden echtgenote redelijkerwijs aan vervolging toe te schrijven?


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/2620 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], Quebec (Canada), eiser, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 19 maart 2004, kenmerk JZ/C70/2004/0178, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2005. Eiser is daar niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft eiser in maart 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwnaar van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene), die is geboren op [in] 1931 en [in] augustus 1979 is overleden. De aanvraag is gebaseerd op de omstandigheid dat betrokkene (van Joodse afkomst), die tijdens de Duitse bezetting van Nederland om aan vervolging te ontkomen ondergedoken is geweest en deswege door verweersters voorganger, de Uitkeringsraad, bij besluit van 23 juli 1976 erkend is als vervolgde, zou hebben blootgestaan aan medische experimenten, uitgevoerd door Nederlandse Nazi-doktoren waardoor borstkanker is ontstaan waaraan zij is overleden. Verweerster heeft de aanvraag van eiser afgewezen bij besluit d.d. 16 september 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet. De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet heeft recht op een uitkering de weduwnaar van de vervolgde van wie het overlijden redelijkerwijs aan de vervolging kan worden toegeschreven. Het bestreden besluit is met betrekking tot de toepassing van het zojuist genoemde voorschrift in overeenstemming met de medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Uit deze adviezen - die mede zijn gebaseerd op informatie afkomstig van de artsen die betrokkene vanaf de jaren zeventig hebben behandeld - komt naar voren dat betrokkene is overleden aan de gevolgen van een maligne aandoening van haar borst doch dat een relatie tussen de onderduik en het ontstaan van de borstmaligniteit niet is te leggen. Van medische experimenten door Nederlandse Nazi-doktoren in een onderduiksituatie is niets bekend en betrokkene heeft daar in het verleden ook nooit melding van gemaakt. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze medische adviezen deugdelijk gemotiveerd. Aangezien voorts, op grond van de stukken, vaststaat dat betrokkene ten tijde van haar overlijden niet in het genot was van enige uitkering die verband hield met ziekten of gebreken die wel met de vervolging in verband staan, kan eiser evenmin aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet recht op de gevraagde uitkering ontlenen. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard. De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) E. Heemsbergen.