
Jurisprudentie
AT3277
Datum uitspraak2005-03-17
Datum gepubliceerd2005-04-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2164 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-04-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2164 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet voldaan aan de geldende eis dat sprake is van lichamelijk of psychisch letsel tengevolge van oorlogscalamiteiten.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/2164 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 8 april 2004, kenmerk JZ/P70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2005. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in juni 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om ingevolge de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en enkele bijzondere voorzieningen. Die aanvraag heeft eiseres gebaseerd op gezondheidsklachten die een gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indiƫ.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 13 februari 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiseres weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten internering in kamp Goentoer te Malang tijdens de zogenoemde Bersiap-periode - maar dat ten aanzien van eiseres niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk of psychisch letsel tengevolge van de oorlogscalamiteiten, leidende tot blijvende invaliditeit.
In beroep heeft eiseres betoogd dat wel sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch letsel aangezien verweerster ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van het seksuele misbruik toen zij bij haar oom en tante woonde.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Het standpunt van verweerster is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs, welke berusten op een rapport van onderzoek van eiseres op 31 december 2003 door de arts G.J. Laatsch. Uit genoemd rapport komt naar voren dat er bij eiseres sprake is van causaal psychisch letsel (te weten een lichte incomplete chronische posttraumatische stressstoornis) maar dat dit letsel niet gepaard gaat met zodanige beperkingen dat gesproken kan worden van een invaliditeit in de zin van de Wet en voorts dat de lichamelijke klachten (te weten obesitas, rug- en darmklachten) niet in het vereiste verband met de oorlogservaringen kunnen worden gebracht.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel. Zo komt uit het rapport van de arts Laatsch naar voren dat eiseres als gevolg van haar psychische klachten slecht kan slapen en soms geplaagd wordt door nachtmerries en daardoor enigszins beperkt is in het dagelijks functioneren, maar dat die beperking onvoldoende is om te kunnen spreken van invaliditeit in de zin van de Wet. De Raad wijst daarbij tevens op hetgeen de geneeskundig adviseur R. van Gorkum in zijn advies d.d. 30 maart 2004 aan verweerster heeft overwogen, namelijk dat nog immer niet is gebleken dat er bij eiseres sprake is van dusdanige beperkingen tengevolge van de psychische klachten dat er gesproken kan worden van blijvende invaliditeit.
Met betrekking tot het seksuele misbruik heeft deze arts vermeld dat, hoe schrijnend ook, dit geen omstandigheid is die in het kader van de Wet kan worden meegewogen en dus ook buiten beschouwing blijft, en met betrekking tot de obesitas, rugklachten en darmklachten is hij van mening dat de door de arts Laatsch gegeven causaliteitsbeoordeling op goede gronden tot stand is gekomen en geen wijziging behoeft.
Met verweerster is de Raad van oordeel dat het seksueel misbruik, nu dit niet heeft plaatsgevonden door een vertegenwoordiger van de bezettende macht, reeds om die reden niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht. Daarmee samenhangende gezondheidsklachten kunnen dan ook niet leiden tot een uitkering ingevolge de Wet.
Gelet op het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.

