
Jurisprudentie
AT3299
Datum uitspraak2005-03-17
Datum gepubliceerd2005-04-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1225 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-04-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1225 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Overschrijding beroepstermijn. Angst voor instanties te moeten verschijnen en depressiviteit tengevolge van beslissing vormen geen redenen om verzuim te accepteren.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/1225 WUBO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], opposante
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 1 juli 2004 het door opposante ingestelde beroep tegen een ten aanzien van haar door geopposeerde genomen besluit van 28 november 2003, kenmerk JZ/Z60/2003, niet-ontvankelijk verklaard aangezien het beroepschrift niet tijdig bij de Raad is ingediend.
Tegen die uitspraak is namens opposante verzet gedaan bij brief van 7 juli 2004.
Dit verzetschrift is aangevuld bij schrijven van 16 juli 2004.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2005. Daar is opposante niet verschenen. Geopposeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
De Raad stelt vast dat opposante in verzet geen gronden naar voren heeft gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden.
Hiertoe heeft de Raad overwogen, dat hetgeen opposante in verzet aanvoert de Raad niet leidt tot het oordeel dat zij door het te laat indienen van haar beroepschrift niet in verzuim is geweest. De door opposante aangegeven redenen, te weten dat zij depressief is geworden nadat zij de beslissing had doorgenomen alsmede angst heeft voor instanties te moeten verschijnen, hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Niet is gebleken van gegevens waaruit valt af te leiden dat opposante de gehele beroepstermijn buiten staat is geweest een - desnoods summier - beroepschrift in te dienen dan wel door een derde in te laten dienen.
Uit het voorgaande volgt dat het door opposante gedane verzet ongegrond dient te worden verklaard.
Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.

