Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT3760

Datum uitspraak2005-04-13
Datum gepubliceerd2005-04-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200407710/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij brief van 27 februari 2003 heeft [coördinator] van het studieonderdeel Geïntegreerde Behandeling van Geneesmiddelen (hierna: GBG) binnen de faculteit Farmaceutische Wetenschappen van de Universiteit Utrecht, aan appellant medegedeeld dat het voorstel van 3 januari 2003 met betrekking tot het afleggen van toetsen ten behoeve van dit studieonderdeel wordt ingetrokken.


Uitspraak

200407710/1. Datum uitspraak: 13 april 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 augustus 2004 in het geding tussen: appellant en het College van beroep voor de examens aan de Universiteit Utrecht. 1.    Procesverloop Bij brief van 27 februari 2003 heeft [coördinator] van het studieonderdeel Geïntegreerde Behandeling van Geneesmiddelen (hierna: GBG) binnen de faculteit Farmaceutische Wetenschappen van de Universiteit Utrecht, aan appellant medegedeeld dat het voorstel van 3 januari 2003 met betrekking tot het afleggen van toetsen ten behoeve van dit studieonderdeel wordt ingetrokken. Bij besluit van 3 juni 2003, bekendgemaakt op 27 juni 2003, heeft het College van beroep voor de examens aan de Universiteit Utrecht (hierna: het College) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 augustus 2004, verzonden op 9 augustus 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 26 oktober 2004 heeft het College van antwoord gediend. Bij brief van 22 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij gezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) kan een betrokkene beroep instellen bij het College van beroep voor de examens tegen beslissingen van examencommissies en examinatoren. 2.2.    De brief van 27 februari 2003 is door [coördinator] niet namens de examencommissie of als examinator ondertekend, maar in de hoedanigheid van coördinator van het studieonderdeel GBG. Derhalve is geen sprake van een beslissing van een examencommissie of een examinator. Daargelaten de vraag of de brief van 27 februari 2003 beschouwd moet worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, stond voor appellant hiertegen derhalve geen beroep als bedoeld in artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de WHW bij het College open. Het College had het administratief beroep van appellant derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit miskend. 2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, de bestreden beslissing op administratief beroep van het College vernietigen en het administratief beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaren. Tevens zal de Afdeling bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 2.4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 augustus 2004, reg.no. SBR 03/1969; III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV.    vernietigt het besluit van het College van beroep voor de examens aan de Universiteit Utrecht van 3 juni 2003, kenmerk CBE-1114; V.    verklaart het bij het College ingestelde administratief beroep niet ontvankelijk; VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VII.    gelast dat de Universiteit Utrecht aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 205,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat. w.g. Van Dijk    w.g. Groenendijk Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005 164-420.