Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT4302

Datum uitspraak2005-03-20
Datum gepubliceerd2005-04-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/47 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer aangezien niet is gebleken dat betrokkene getroffen is geweest door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.


Uitspraak

04/47 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 28 november 2003, kenmerk JZ/060/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift zoals aangevuld bij schrijven van 12 april 2004 is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadien nog een getuigenverklaring van haar vriendin W. Kusuma Widjaja ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2005. Daar is eiseres zoals tevoren was aangekondigd niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, geboren [in] 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een periodieke uitkering alsmede enige bijzondere voorzieningen. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. In dat verband heeft eiseres aangevoerd dat zij tijdens de Japanse bezetting en de daarop volgende zogenoemde Bersiap-periode op verschillende schuiladressen heeft verbleven uit vrees te worden vervolgd en dat zij tevens beschietingen heeft meegemaakt. Bij besluit van 18 september 2003 heeft verweerster op de aanvraag afwijzend beslist. Na tegen dat besluit gemaakt bezwaar heeft verweerster die afwijzing gehandhaafd op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslacht-offer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet aangezien niet is gebleken dat eiseres getroffen is geweest door onder de Wet vallend oorlogsgeweld. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, dan wel gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden (de zogenoemde Bersiap-periode) in het voormalige Nederlands-Indië lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met de krijgsverrichtingen verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode. Met betrekking tot de gestelde onderduik om aan vervolging te ontkomen is de Raad van oordeel dat - anders dan eiseres heeft gesteld - hier geen sprake is van een onder de Wet te brengen situatie van onderduik nu daaraan geen concrete handeling of maatregel van de bezettende macht is voorafgegaan en bovendien het gezin zich niet voortdurend binnenshuis bevond. Ten aanzien van het meemaken van schietpartijen overweegt de Raad dat niet is gebleken van een directe betrokkenheid van eiseres bij bedoelde beschietingen aangezien geen gegevens naar voren zijn gekomen over de specifieke omstandigheden waaronder zij daarbij betrokken is geweest, zoals bijvoorbeeld het al dan niet gewond zijn geraakt of een confrontatie met het omkomen of verwonden van naasten bij die beschietingen. De nadien in beroep ingezonden getuigenverklaring van W. Kusuma Widjaja kan de Raad niet tot een ander oordeel doen leiden, nu ook deze verklaring onvoldoende concreet wordt geacht. Voorzover eiseres zich in beroep heeft gekeerd tegen het achterwege laten door verweerster van een medisch onderzoek, merkt de Raad nog op dat een dergelijke beoordeling eerst dan aan de orde komt indien is vastgesteld dat er sprake is van gebeurtenissen welke onder de werking van de Wet vallen. Nu in het onderhavige geval niet is gebleken van onder de Wet vallende gebeurtenissen heeft verweerster derhalve op goede gronden een medisch-inhoudelijke beoordeling achterwege gelaten. Uit een ander volgt dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Daarmee is zeker niet miskend dat eiseres tijdens de oorlogsjaren en de Bersiaptijd bijzondere angstige tijden heeft meegemaakt. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen. De in beroep naar voren gebrachte stelling dat verweerster aan eiseres voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer te vergaande eisen stelt, richt zich in wezen tegen de door de wetgever bij het tot stand brengen van de Wet gemaakte keuzes. De Raad kan daarin niet treden. Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat gezien het vorenstaande geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) A.D. van Dissel-Singhal.