
Jurisprudentie
AT4783
Datum uitspraak2005-04-16
Datum gepubliceerd2005-04-27
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 04 / 1461 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-04-27
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 04 / 1461 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Centraal staat de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot terugvordering van de over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2001 ten onrechte verleende bijstand.
Is er sprake van verjaring?
Is er sprake van verjaring?
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Procedurenummer: AWB 04 / 1461 WWB
Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
inzake
[eiser],
wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht -Dienst Sociale en Economische Zaken-,
gevestigd te Maastricht, verweerder.
Datum bestreden besluit: 19 augustus 2004
Kenmerk: 53595426
Behandeling ter zitting: 21 februari 2005
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19 augustus 2004 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 20 april 2004 tegen een door verweerder genomen besluit van 9 maart 2004 ongegrond verklaard.
Bij brief van 27 september 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiser beroep ingesteld door zijn gemachtigde, mr. K.P. Meegdes, advocaat te Maastricht.
Bij brief van 1 november 2004 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.
Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 21 februari 2004, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door C.W.J. Bouwens.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
De feiten
In een onderzoek is door de sociale recherche vastgesteld dat eiser verweerder heeft benadeeld voor een bedrag van € 76.634, 95 door het niet melden van inkomsten in de periode van 22 augustus 1994 tot en met 31 augustus 2001. Een gedeelte van de totale vordering is verjaard.
Bij besluit van 9 maart 2004 heeft verweerder eiser medegedeeld dat tot een bruto-bedrag van € 45.997, 84 ten onrechte bijstand is verleend in de periode 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2001. Verweerder geeft aan dat de reden hiervan is dat eiser onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel niet aan de wettelijke mededelingsplicht heeft voldaan met betrekking tot ontvangen inkomsten.
Bij brief van 20 april 2004 is namens eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.
Bij brief van 1 juni 2004 zijn de nadere gronden waarop het bezwaar berust ingediend. Daarbij is namens eiser primair aangevoerd dat de vordering in zijn geheel verjaard is. Subsidiair wordt namens eiser aangevoerd dat in ieder geval een gedeelte van de vordering verjaard is. Er kan in dat geval slechts teruggevorderd worden over de periode 10 maart 1999 tot en met 10 maart 2004. Tot slot wordt namens eiser aangevoerd dat de hoogte van de terugvordering niet klopt.
Eiser en zijn gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 14 juli 2004 op het bezwaar te worden gehoord.
Het besluit
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en wel ten aanzien van de hoogte van de terugvordering. Verweerder heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Aan dit deel van het besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat er geen sprake is van verjaring, aangezien de onderhavige terugvordering een gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht door eiser en aangezien verweerder op 14 november 2003 bekend is geworden met de resultaten van het onderzoek naar de door eiser gepleegde fraude. Gezien artikel 3:309 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is er geen sprake van verjaring. Verweerder is in beginsel gehouden de bijstand over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2001 terug te vorderen.
Het beroep
Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd:
· op grond van het bepaalde in artikel 58, vijfde lid, WWB is de vordering verjaard;
· het is eiser onduidelijk welke grond voor de terugvordering gebruikt is;
· de door verweerder gebruikte verjaringstermijn uit het civiele recht is onredelijk;
· er is strijd met het rechtszekerheidsbeginsel;
· de WWB bevat geen verwijzing naar artikel 3:308 e.v. BW, zodat ook thans niet verder dan vijf jaren te rekenen vanaf de verzenddatum van de beschikking kan worden teruggevorderd.
De beoordeling
De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Centraal staat de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot terugvordering van de over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2001 ten onrechte verleende bijstand.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast, dat eiser - expliciet daarnaar gevraagd tijdens de zitting - zijn beroep beperkt tot de terugvordering en dan met name de vraag of verweerder met het oog op de geldende verjaringstermijnen nog wel bevoegd was om tot terugvordering over te gaan. Het beroep is niet gericht tegen de intrekking van het recht op uitkering.
Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder de grondslag voor de terugvordering heeft gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Verweerder heeft daarbij verwezen naar artikel 81, eerste lid, van de Abw en aldus buiten kijf gesteld dat de terugvordering voortvloeit uit de intrekking van de uitkering als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht
De rechtbank acht de volgende bepalingen van belang.
Artikel 58, eerste en vijfde lid, van de WWB
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:
a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d. ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1°. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;
2°. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.
5. Terugvordering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
Artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)
Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.
Nu artikel 58, vijfde lid, van de WWB uitsluitend ziet op de terugvorderingsgrond onder e in het eerste lid, kan eisers beroep op die bepaling niet slagen. Het geschil spitst zich hiermee toe op de vraag, welke verjaringstermijnen de bevoegdheid tot terugvordering reguleren.
Ten aanzien van de periode waarover thans wordt teruggevorderd, te weten vanaf 1 juli 1997, bevat de bijstandswetgeving geen specifieke verjaringsbepalingen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt evenwel dat de wetgever ten aanzien van het sedert genoemde datum geldende stelsel voor ogen heeft gehad, dat de algemene regels voor verjaring, zoals neergelegd in artikel 3:309 van het BW ook van toepassing zijn op de terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstand. Dientengevolge begint de verjaringstermijn te lopen op de dag dat het bestuursorgaan bekend is geworden met het bestaan van zijn vordering, hetgeen niet noodzakelijkerwijs de datum van de herroepingsbeslissing behoeft te zijn (TK 1994-1995, 23 909, nr. 7, blz. 22 en EK 1995-1996, 23 909, nr. 114d, blz. 3).
In zijn uitspraak van 29 april 2003 (LJN: AH 8680) heeft ook de Centrale Raad van Beroep vastgesteld dat artikel 3:309 van het BW vanaf 1 juli 1997 van toepassing is in het bijstandsrecht.
De rechtbank is stelt vast dat verweerder op 14 november 2003 bekend is geworden met de resultaten van het onderzoek naar de door eiser gepleegde fraude. De rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd is de bijstand over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2001 terug te vorderen, gezien de in artikel 3:309 BW genoemde verjaringstermijn van vijf jaren.
Gelet op het voorgaande treft ook hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd geen doel.
Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiseres voor ongegrond moet worden gehouden.
Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Hoof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2005 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. J.H. van Hoof w.g. F.A.G.M. Vluggen
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden: 16 maart 2005
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

