
Jurisprudentie
AT5004
Datum uitspraak2005-04-28
Datum gepubliceerd2005-05-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4770 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-05-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4770 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen sprake van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten die leiden tot blijvende invaliditeit.
Uitspraak
04/4770 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 27 juli 2004, kenmerk JZ/C70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005. Aldaar is eiseres niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die is geboren [in] 1939 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, in juni 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om haar ingevolge de Wet te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer en haar een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer toe te kennen. Die aanvraag heeft zij gebaseerd op gezondheidsklachten, die haars inziens het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indiƫ.
Bij besluit van 3 maart 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster geoordeeld dat eiseres weliswaar is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet maar is het verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten leidend tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Aan het besluit van verweerster ligt een advies ten grondslag van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad dat is gebaseerd op een rapport d.d. 11 februari 2004 van onderzoek door de arts R.J. Roelofs.
De arts R.J. Roelofs voornoemd, die eiseres alvorens zijn rapport uit te brengen, uitvoerig heeft onderzocht en gesproken en tevens rekening heeft gehouden met de medische gegevens, afkomstig van haar huisarts, is van mening dat er thans geen aanwijzingen zijn voor (oorlogsgerelateerde) psychische klachten van enige betekenis en dat ook niet is gebleken van zodanige beperkingen op dit punt dat gesproken kan worden van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. De somatische klachten van eiseres, te weten een verzwakt immuunsysteem, allergische klachten, status na darmkanker, status na tuberculose, huidklachten, lage bloeddruk, en voetklachten ziet hij niet in verband staan met de door eiseres meegemaakte oorlogsgebeurtenissen, doch zijn voornamelijk constitutioneel bepaald.
De arts N.F. Vogel, geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad, heeft naar aanleiding van hetgeen eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht, alle omtrent eiseres beschikbare gegevens nogmaals in onderling verband bestudeerd, doch is tot geen andere conclusie kunnen komen dan de arts R.J. Roelofs voornoemd.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze twee adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Blijkens de aanwezige medische en andere gegevens functioneert eiseres op sociaal- maatschappelijk gebied goed en is zij niet onder medische behandeling vanwege haar psychische of lichamelijke klachten. De Raad is niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel ten gevolge van het oorlogsgeweld.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

