Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT5719

Datum uitspraak2005-05-13
Datum gepubliceerd2005-05-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/2836 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering. De medische beperkingen van betrokkene zijn niet onderschat en de geselecteerde functies zijn gelet op de medische klachten niet ongeschikt te achten.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/2836 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. M. Smit, advocaat te Almelo, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Almelo onder dagtekening 28 april 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: 02/744 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 8 september 2003 (met bijlage) van verweer gediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2005, waar partijen met kennisgeving niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat gedaagde bij het bestreden besluit van 26 augustus 2002 de weigering heeft gehandhaafd appellante per 19 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank (samengevat) als haar oordeel gegeven dat gedaagde bij het bestreden besluit de medische beperkingen van appellante als gevolg van haar eczeemklachten niet heeft onderschat en dat de geselecteerde functies gelet op haar medische klachten niet ongeschikt zijn. Ten aanzien van de door appellante gestelde vaatklachten heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde daarmee geen rekening hoefde te houden, omdat deze ten tijde hier in geding nog niet aan de orde waren. Daarop heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten. De Raad verenigt zich geheel met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep omtrent haar gezondheidstoestand, niet gesteund door nieuwe gegevens van medische aard, is aangevoerd, kan, mede gelet op het door gedaagde in hoger beroep ingezonden rapport van 4 september 2003 van de bezwaarverzekeringsarts E. Khoe, de Raad niet tot een ander oordeel brengen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2005. (get.) D.J. van der Vos. (get.) M.H.A. Uri.