Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT6098

Datum uitspraak2005-05-17
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00466/05 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening


Uitspraak

17 mei 2005 Strafkamer nr. 00466/05 H SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 november 2004, nummer 01/020538-04, ingediend door mr. H.H.M. Jansen, advocaat te Helmond namens: [Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de aanvrage tot herziening gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Boschpoort" te Breda. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van acht weken. 2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de aanvrage 3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de aanvrager niet in de gelegenheid is gesteld zich te verdedigen nu de aanvrager, die gedetineerd zat, geen dagvaarding voor de terechtzitting van de Politierechter van 29 november 2004 heeft ontvangen, terwijl er bovendien vanuit zijn detentieadres geen vervoer naar voornoemde terechtzitting was geregeld en de aanvrager voorts niet werd bijgestaan door een advocaat. 3.3. De in de aanvrage genoemde omstandigheden hadden, indien juist, noch afzonderlijk noch in samenhang beschouwd kunnen leiden tot een van de hiervoor onder 3.1 genoemde beslissingen. Daarom is de aanvrage niet-ontvankelijk. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier R. Kuiper, en uitgesproken op 17 mei 2005.