Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT6309

Datum uitspraak2005-05-26
Datum gepubliceerd2005-05-27
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers04-293
Statusgepubliceerd


Indicatie

Er is geen grond voor het oordeel dat de sloopvergunningen afgegeven in het kader van de realisering van het Raaksproject, in strijd met het recht zijn verleend door burgemeester en wethouders van Haarlem.


Uitspraak

reg. nr: Awb 04 - 293 uitspraakdatum: 26 mei 2005 RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht meervoudige kamer U I T S P R A A K in de zaak van: Stichting De Hoeksteen, gevestigd te Haarlem, eiseres, gemachtigde: mr. Ch.Y. Moons, advocaat te Amsterdam, -- tegen -- het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder, gemachtigde: mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem, derde partijen gemeente Haarlem gemachtigde: mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 'MAB B.V.', gevestigd te Den Haag, gemachtigde: mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Haarlem. 1. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk BMA 2003/537, heeft verweerder aan de sector stedelijke ontwikkeling van de gemeente Haarlem (hierna: de gemeente Haarlem) vergunning verleend als bedoeld in artikel 11 Monumentenwet 1988 voor de sloop van de panden Raaks 14/Zijlvest 25a, plaatselijk bekend als HBS-A, en Jacobstraat 2, plaatselijk bekend als de voormalige Mulo en zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde gewaarmerkte tekening nr. 02082. Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk BMA 2003/532, heeft het college aan de gemeente Haarlem vergunning verleend als bedoeld in artikel 11 Monumentenwet 1988 voor de gedeeltelijke sloop van de panden Oude Zijlvest 27/Gedempte Voldersgracht 2 (gelegen achter het pand plaatselijk bekend als HBS-B) zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde gewaarmerkte tekening nr. 02083. Bij besluit van 14 augustus 2003, 2003/0479/04, heeft verweerder aan de gemeente Haarlem vergunningen verleend als bedoeld in artikel 37 Monumentenwet 1988, artikel 36 Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing en artikel 8.1.1, eerste lid, Haarlemse Bouwverordening, voor het slopen van de panden Zijlvest 25a, plaatselijk bekend als HBS-A, Raaks 14, betreffende een woning, en Jacobstraat 2, plaatselijk bekend als de voormalige Mulo. Bij besluit van 14 augustus 2003, 2003/0478/04, heeft verweerder aan de gemeente Haarlem vergunningen verleend als bedoeld in artikel 37 Monumentenwet 1988, artikel 36 Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing en artikel 8.1.1, eerste lid, Haarlemse Bouwverordening, voor het slopen van de panden Oude Zijlvest 27 en de Gedempte Voldersgracht 2. Dit betreft het gedeeltelijk slopen van een school en het slopen van een woning, gymzaal en muur aan de Gedempte Voldersgracht 2. Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brieven van 11 september 2003 en 21 september 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 januari 2004, verzonden op 8 januari 2004, kenmerk CS/bo/03/1303/1304/1305/1306, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de besluiten van 13 augustus 2003, nr. BMA 2003/532 en nr. BMA 2003/537 in die zin gewijzigd dat: - de bepaling dat de vergunning niet in werking treedt totdat de bezwaartermijn is verstreken of, als daarvan sprake is, op het bezwaar of beroep beslist is; en - de bepaling dat het niet is toegestaan met de werkzaamheden te beginnen voordat positief is beslist op de in te dienen aanvraag voor de bouwvergunning, vervallen. De bestreden besluiten worden voor het overige gehandhaafd. Dit is in overeenstemming met het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 29 december 2003. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 februari 2004 beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 21 april 2005, alwaar namens Stichting De Hoeksteen is verschenen, M.J. Rietvink, vice-voorzitter. Namens verweerder, alsmede namens de gemeente Haarlem is verschenen mr. B.C. Romijn, gemachtigde. Namens de besloten vennootschap 'MAB B.V.' (hierna: MAB), mr. M.H.J. van Driel, gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1. De hier in geding zijnde panden liggen in een beschermd stadsgezicht. Aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) is verzocht om de panden aan te merken als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1988. Bij besluiten van 17 april 2003 heeft de Staatssecretaris de verzoeken afgewezen. Hiertegen zijn bezwaarschriften ingediend. De Staatssecretaris heeft nog geen beslissing op de bezwaren genomen. Door deze omstandigheden zijn voor het slopen van deze panden bij besluiten van 13 augustus 2003 en 14 augustus 2003, vergunningen verleend op grond van het bepaalde in: artikel 36 van de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing (WSDV); artikel 37 van de Monumentenwet 1988; artikel 11 van de Monumentenwet 1988; artikel 8.1.1, eerste lid, Haarlemse bouwverordening (HBV). 2.2. De sloopvergunningen zijn nodig voor het realiseren van het zogenaamde Raaksproject. Dit project houdt in grote lijnen in dat de voormalige HBS-B aan de Oude Zijlvest verbouwd wordt tot appartementen, aan de Gedempte Voldersgracht nieuwbouw komt - te weten appartementen - en ondergrondse parkeergelegenheid gerealiseerd wordt (één openbare parkeergelegenheid en één parkeergelegenheid ten behoeve van de bewoners van de nieuw te bouwen appartementen). Daarnaast zijn er plannen om een bioscoop te bouwen. 2.3. Bij de bestreden besluiten is vergunning verleend voor de sloop van de volgende panden: de voormalige HBS-A, de voormalige Mulo, de binnenzijde en een deel van de voormalige HBS-B, de woning, muur en gymzaal achter de voormalige HBS-B. 2.4. De rechtbank stelt vast dat de woning, muur en gymzaal achter de voormalige HBS-B reeds zijn gesloopt. Het object van het beroep is hiermee weggevallen. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dan ook dat eiseres ten aanzien hiervan geen procesbelang meer heeft. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een processueel belang van eiseres bij de behandeling van het beroep voor zover het betrekking heeft op voornoemde panden. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres dan ook niet-ontvankelijk voor zover dit beroep betrekking heeft op de sloopvergunningen afgegeven voor de woning, muur en gymzaal achter de voormalige HBS-B. Voor zover het beroep de sloop van de overige panden betreft, overweegt de rechtbank als volgt. 2.5. Eiseres betoogt dat de bestreden sloopvergunningen ten onrechte zijn verleend. Het beroep van eiseres strekt ertoe te voorkomen dat er een onomkeerbare situatie ontstaat. Zo een situatie moet worden voorkomen, omdat de toekomstige planologische situatie immers nog niet is uitgekristaliseerd, aangezien het uitwerkingsplan nog niet voor alle plandelen onherroepelijk is alsook gelet op de onzekerheid over de feitelijke invulling van het terrein waarop de te slopen panden zijn gesitueerd, aldus eiseres. 2.6. Ten aanzien van de sloopvergunningen van 14 augustus 2003. Deze sloopvergunningen zijn verleend op grond van artikel 36 van de WSDV, artikel 37 van de Monumentenwet 1988 en artikel 8.1.1., eerste lid, HBV. 2.7. In artikel 36 WSDV is het volgende bepaald: In het gebied, dat is begrepen in een stadsvernieuwingsplan is het verboden te slopen zonder vergunning van burgemeester en wethouders. De artikelen 20-28 zijn van overeenkomstige toepassing. 2.8. In artikel 37 Monumentenwet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald 1. In beschermd stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). 3. De artikelen 21 tot en met 23 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing zijn van toepassing. 2.9. Gelet op artikel 36 WSDV en artikel 37 Monumentenwet en de daarin van toepassing verklaard artikelen uit de WSDV, zijn met name de artikelen 21 en 22 WSDV in de onderhavige procedure van belang. In artikel 21 WSDV is het volgende bepaald: 1. De sloopvergunning mag worden geweigerd, indien bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, doch deze vergunning nog niet is aangevraagd. 2. De sloopvergunning moet worden geweigerd, indien vergunning voor het slopen van het bouwwerk ingevolge de Monumentenwet 1988, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze vergunning niet is verleend. Artikel 22 WSDV luidt als volgt: 1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om sloopvergunning binnen twaalf weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. De artikelen 46, vierde tot en met zevende lid, en 47 van de Woningwet zijn van overeenkomstige toepassing. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de beslissing aanhouden, indien voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk bouwvergunning is aangevraagd, doch op de aanvrage nog niet is beslist. 3. De aanhouding duurt totdat onherroepelijk op de aanvrage om bouwvergunning, bedoeld in het tweede lid, is beslist. 2.10. De rechtbank stelt allereerst vast dat de imperatieve weigeringsgrond van artikel 21, tweede lid, WSDV, niet aanwezig is nu verweerder bij besluiten van 13 augustus 2003 de benodigde vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 heeft verleend, en voor het slopen geen vergunning op grond van een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist. 2.11. De rechtbank onderscheidt bij de verdere toetsing de volgende gebouwen: a. de voormalige HBS-A en de voormalige Mulo, b. de voormalige HBS-B, woning, gymzaal en muur. 2.12. Ten aanzien van de vervangende bouw van de onder a. genoemde panden zijn nog geen bouwvergunningen aangevraagd. Dit betekent dat voor dit onderdeel geen aanhoudingsbevoegdheid als opgenomen in artikel 22, tweede lid, WSDV, bestond. De rechtbank beperkt zich dan ook tot de vraag of verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de betreffende sloopvergunning te weigeren. 2.13. Verweerder heeft aangegeven van deze weigeringsbevoegdheid geen gebruik te hebben gemaakt gelet op de omvang van het project en de daarmee samenhangende planning, waarin onder meer is begrepen de sanering van de grond. Weigering van de sloopvergunning totdat alle bouwvergunningen zouden zijn aangevraagd zou de voortgang van het project te zeer blokkeren. 2.14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de weigeringsbevoegdheid nu geenszins vaststaat dat de benodigde bouwvergunningen ook daadwerkelijk kunnen worden verleend. Zij voert daartoe aan dat reëel moet worden geacht dat voornoemde panden een monumentaal karakter hebben. Zij verwijst hiervoor naar de nog lopende procedures ten aanzien van de aanwijzing van de panden als rijksmonument en als gemeentelijk monument. Waarbij in het kader van de aanwijzing als gemeentelijk monument tevens een positief advies van de commissie Welstand en Monumenten van de gemeente Haarlem van 7 september 2004 is afgegeven. Voorts voert eiseres aan dat het planologisch kader nog geenszins vaststaat nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (registratienummer LJN AS3197 op www.rechtspraak.nl), in diens uitspraak van 19 januari 2005, het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ten aanzien van het uitwerkingsplan 'Raaks', gedeeltelijk heeft vernietigd en voorts gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden aan voornoemd uitwerkingsplan. Bovendien is nog onduidelijk welke invulling zal worden gegeven aan het Raaksproject. Tevens voert eiseres aan dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Staatsblad 2004, 250 (hierna: BEVI), gelet op de aanwezigheid van een LPG-tankstation aan de Leidsevaart, aanzienlijke beperkingen oplegt ten aanzien van de realisatie van het Raaksproject. Eiseres stelt dat gelet hierop geenszins vaststaat dat de benodigde bouwvergunningen ook daadwerkelijk zullen kunnen worden verleend. 2.15. De rechtbank overweegt dat artikel 21, eerste lid, WSDV - in tegenstelling tot artikel 21, tweede lid, WSDV - geen gesloten systeem is. Verweerder is bevoegd sloopvergunningen te weigeren. Het is aan verweerder om ten aanzien hiervan alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechtbank overweegt dat de belangen bij voornoemde bevoegdheid een sloopvergunning te weigeren, kunnen zijn gelegen in de bescherming van een beschermenswaardig object alsmede in de voorkoming van kaalslag en langdurige leegstand. Voor zover eiseres een beroep doet op het feit dat het uitwerkingsplan nog niet onherroepelijk is stelt de rechtbank vast dat de gebreken op grond waarvan het goedkeuringsbesluit ten aanzien van het uitwerkingsplan bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2005 (registratienummer LJN AS3197 op www.rechtspraak.nl) is vernietigd, reparabel zijn. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in rechtsoverweging 2.4.9.2 van evengenoemde uitspraak ten aanzien van het uitwerkingsplan overwogen dat naar diens oordeel de instandhouding van de voormalige HBS-A en Mulo in het besluitvormingsproces voldoende zijn bezien. De rechtbank is voorts van oordeel dat het uitwerkingsplan - alhoewel nog niet voor alle plandelen onherroepelijk - voldoende zicht geeft op de invulling van de bestemming. Het feit dat op dit moment nog niet vaststaat hoe dit exact wordt ingevuld en met welke bestemming, doet hieraan niet af. Ten aanzien van de mogelijke beschermenswaardigheid van de betreffende panden overweegt de rechtbank als volgt. De verzoeken van eiseres om aanwijzing van de betreffende panden als rijksmonument alsmede als gemeentelijk monument zijn afgewezen. De Staatssecretaris heeft zich in diens afwijzende besluiten van 17 april 2003 ter zake van het verzoek om aanwijzing als rijksmonument in het kader van de Monumentenwet 1988, mede gebaseerd op een negatief advies van de Raad van Cultuur van 21 januari 2003, alsmede een negatief advies van de raad van de gemeente Haarlem. De raad heeft zijn negatieve advies gebaseerd op het advies van de Monumentencommissie van 27 augustus 2002 en het advies van 26 november 2002 van de commissie Welstand en Monumenten. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de besluiten van de Staatssecretaris van 17 april 2003 in bezwaar geen stand zullen houden. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de termijn waarbinnen de Staatssecretaris op de bezwaren van eisers terzake de weigering tot aanwijzing als rijksmonument had dienen te beslissen reeds lang verstreken is. Eiseres had echter, door het instellen van een rechtsmiddel, kunnen bewerkstelligen dat de beslissing op bezwaar zou worden genomen. Om haar moverende redenen heeft zij daarvan afgezien. Door dat na te laten heeft eiseres voor zichzelf de kans ontnomen haar stelling dat de betreffende panden rijksmonumentwaardig zijn, voor deze rechtbank hard te maken. Ten aanzien van de lopende procedure terzake de plaatsing van de panden op de gemeentelijke monumentenlijst overweegt de rechtbank dat alhoewel de conclusie van het advies van de commissie Welstand en Monumenten als van het rapport van bureau Mattie & de Moor is dat de betreffende panden in aanmerking dienen te komen voor de gemeentelijke monumentenstatus, dit nog niet betekent dat het een gegeven is dat verweerder deze panden ook op de gemeentelijke monumentenlijst dient te plaatsen. Verweerder heeft in dit verband een ruim discretionair afwegingskader waarbij ook andere belangen, zoals financieel-economische belangen betrokken kunnen worden. Verweerder een en andermaal heeft aangegeven niet tot plaatsing van de betreffende panden op de gemeentelijke monumentenlijst over te zullen gaan. vanwege financieel-economische belangen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat de betreffende panden zullen worden aangewezen als rijksmonument danwel op de gemeentelijke monumentenlijst zullen worden geplaatst. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar betoog dat de werking van het BEVI aan de verlening van bouwvergunningen in de weg staat. Verweerder heeft, zoals ook is overwogen in de uitspraak van 11 april 2005 (registratienummer LJN AT3570 op www.rechtspraak.nl) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, deze stelling van eiseres voldoende draagkrachtig gemotiveerd weerlegd. 2.16. Gelet op het vorenoverwogene is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van de bevoegdheid als opgenomen in artikel 21, eerste lid, WSDV om de sloopvergunning te weigeren ten aanzien van de onder a. genoemde gebouwen. 2.17. Ten aanzien van de vervangende bouw van de onder b. genoemde panden is wel bouwvergunning aangevraagd, te weten voor een ondergrondse bewonersgarage, zodat verweerder gelet hierop een aanhoudingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 22, derde lid, WSDV, heeft. Echter gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.4 is wegens sloop van de panden het procesbelang ten aanzien van de hiervoor verleende sloopvergunningen komen te vervallen. De rechtbank zal hier dan ook niet verder op ingaan. Ten aanzien van de eveneens onder b. genoemde HBS-B is reeds bouwvergunning verleend, welke inmiddels onherroepelijk is, zodat gelet op artikel 21 en 22 WSDV, geen grond aanwezig was om de vergunningen te weigeren dan wel om de beslissingen aan te houden. Ook overigens valt niet in te zien dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de sloopvergunningen voor de HBS-B te verlenen. 2.18. Voor zover de sloopvergunningen zijn gebaseerd op de HBV overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 8.1.1., eerste lid, HBV is bepaald dat het verboden is bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). In artikel 8.1.4., tweede lid, HBV staat dat de beslissing aangehouden moet worden indien nog vergunningen nodig zijn krachtens artikel 11 of artikel 37 Monumentenwet 1988 en op deze aanvragen nog niet is beslist. Nu vergunningen op grond van deze bepalingen nodig en verleend zijn, ziet de rechtbank geen grond aanwezig om de beslissing op basis van deze bepaling aan te houden. 2.19. Artikel 8.1.6. HBV bevat de gronden op basis waarvan verweerder de aanvraag moet weigeren. Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien: a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend; e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend; f. een vergunning als bedoelt in artikel 30 of artikel 33 van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is verleend. 2.20. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat met name de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende zou zijn gewaarborgd. Een andere weigeringsgrond is niet aanwezig. Derhalve is er geen grond de sloopvergunningen, voor zover deze zijn gebaseerd op artikel 8.1.1, eerste lid, HBV, niet te verlenen. 2.21. Ten aanzien van de sloopvergunningen van 13 augustus 2003 Deze sloopvergunningen zijn verleend op grond van het bepaalde in artikel 11 Monumentenwet 1988. 2.22. Bij besluiten van 17 april 2003 heeft de Staatssecretaris de verzoeken om de hier in geding zijnde panden aan te wijzen als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1988, afgewezen. Hiertegen zijn bezwaarschriften ingediend. 2.23. Door deze procedure vloeit uit artikel 5 Monumentenwet 1988 met betrekking tot de betreffende panden een zogenaamde voorbescherming voort, waardoor bij sloop een vergunning is benodigd ingevolge artikel 11 Monumentenwet 1988. Deze sloopvergunningen zijn bij besluiten van 13 augustus 2003 verleend. Ook hiertegen zijn bezwaarschriften ingediend. Deze bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit van 6 januari 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de in de eerste instantie opgenomen voorwaarden, waarin was bepaald dat pas daadwerkelijk begonnen kon worden met de sloopwerkzaamheden op het moment dat voornoemde sloopvergunningen onherroepelijk waren en bovendien positief was beslist op een in te dienen bouwvergunning, laten vervallen. 2.24. Eiseres betoogt dat verweerder voornoemde voorwaarden ten onrechte heeft laten vervallen. Zij voert daartoe aan dat verweerder hiermee buiten de grondslag van het bezwaar is getreden zoals aangegeven in artikel 7:11 Awb nu het laten vervallen van de voorwaarden losstaat van de ingediende bezwaren. Zij voert voorts aan dat zij op grond van artikel 7:9 Awb in verband met deze voorgenomen wijziging opnieuw had moeten worden gehoord. 2.25. De rechtbank overweegt dat de heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 Awb zich niet beperkt tot een beslissing naar aanleiding van de ingediende bezwaren. Het staat het bestuursorgaan vrij om bij de bestuurlijke heroverweging ook andere aspecten te betrekken. De te heroverwegen bestuurlijke aspecten kunnen niet worden gezien als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 Awb. Dat er interne correspondentie is over deze aspecten maakt dat niet anders. Los van de mogelijkheid van verweerder in een bezwaarfase bestuurlijke aspecten in de heroverweging te betrekken, heeft verweerder echter de zelfstandige bevoegdheid om bepalingen als opgenomen in een vergunning te wijzigen of aan te passen. Anders dan eiseres meent mocht verweerder in het onderhavige geval dan ook beslissen om voornoemde voorwaarden te laten vervallen. Het betoog van eiseres treft dan ook geen doel. 2.26. Ook in hetgeen overigens door eiseres is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de betreffende sloopvergunningen ten onrechte zijn verleend, nu is besloten om de panden niet aan te wijzen als beschermd monument en in aanmerking genomen hetgeen dienaangaande hiervoor is overwogen, niet aannemelijk is dat daartoe naar aanleiding van het gemaakte bezwaar alsnog zal worden besloten. 2.27. Samengevat is er geen grond voor het oordeel dat verweerder de bestreden sloopvergunningen in strijd met het recht heeft verleend. 2.28. Het beroep is voor het overige ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig. 3. Beslissing De rechtbank, 3.1. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de sloopvergunningen voor de woning, muur en gymzaal achter de voormalige HBS-B; 3.2. verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. M. Groverman en mr. A.P.W. Duijkersloot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005. Afschrift verzonden op: RECHTSMIDDEL[HD3] Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.