
Jurisprudentie
AT6372
Datum uitspraak2005-09-09
Datum gepubliceerd2005-09-09
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR04/093HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-09-09
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR04/093HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
9 september 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/093HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. A.A. Vermeij, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. L. van Hoppe. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Conclusie anoniem
Rek.nr. R04/093HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 13 mei 2005
conclusie inzake
[de vrouw]
tegen
[de man]
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft de financiële afwikkeling van de echtscheiding van een Nederlands/Bulgaars echtpaar dat is gehuwd onder het huwelijksvermogensrecht van Californië.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 2 en 3 van de beschikking van de rechtbank van 20 augustus 2003 en r.o. 2 van de beschikking van het hof).
(i) Partijen (hierna: de vrouw en de man) zijn op 9 december 1995 te Sacramento, Californië, USA, met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 1996 een kind, genaamd [de zoon], geboren.
(ii) Partijen hebben de eerste jaren van hun huwelijk in Californië gewoond. Zij wonen thans in Nederland. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw de Bulgaarse nationaliteit.
(iii) Op 23 mei 2001 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan.
(iv) Het huwelijk van partijen is op 16 april 2003 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking d.d. 20 februari 2002 van de rechtbank Amsterdam.
3. In het kader van de tussen partijen voor de rechtbank Amsterdam gevoerde echtscheidingsprocedure heeft de vrouw verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap verzocht.
4. Bij beschikking van 20 augustus 2003 heeft de rechtbank met betrekking tot dit verzoek onder meer overwogen
- dat ingevolge het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (Verdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130) het (materiële) recht van Californië, meer bepaald de California Family Code, van toepassing is op de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk van partijen, terwijl het Nederlandse burgerlijk procesrecht van toepassing is op de procesrechtelijke aspecten van het geschil tussen partijen (r.o. 4.1);
- dat het recht van Californië inhoudt dat al hetgeen partijen gedurende het huwelijk hebben verkregen, in de huwelijksgemeenschap valt en bij echtscheiding bij helfte dient te worden verdeeld (r.o. 4.2);
- dat het geschil tussen partijen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksvermogensgemeenschap zich toespitst op de volgende drie onderdelen: (1) de inboedel, (2) het verloop van de op naam van de man staande bankrekeningen, en (3) de pensioenrechten (r.o. 5.1);
- dat partijen hun inboedel reeds hebben verdeeld, zodat voor een nadere rechtelijke beslissing daarover geen plaats is (r.o. 5.2);
- dat de vrouw haar stelling dat de man gedurende het huwelijk een vermogen op zijn bankrekeningen heeft opgebouwd, onvoldoende heeft onderbouwd en dat daarom moet worden afgewezen het verzoek van de vrouw tot het uitvaardigen van een "subpoena" tegen de man tot het afleggen van een verklaring over zijn vermogen en tot het ter beschikking stellen aan de vrouw van rekeningafschriften, nog daargelaten dat dit verzoek is gebaseerd op het hier niet toepasselijke procesrecht van Californië (r.o. 5.3);
- dat uit de door de man overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de door hem verworven pensioenrechten zijn opgebouwd met behulp van gelden die hij vóór het huwelijk reeds had, zodat deze pensioenrechten ingevolge section 2610(a) van de Family Code van Californië niet in de huwelijkgemeenschap zijn gevallen (r.o. 5.4);
en vastgesteld dat partijen terzake van de verdeling van de huwelijksgemeenschap niets meer van elkaar te vorderen hebben.
5. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij beschikking van 6 mei 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof onder meer
- dat het, evenals de rechtbank, in deze zaak het Nederlandse procesrecht zal toepassen (r.o. 4.1);
- dat gebleken is dat partijen het op (onder meer) de volgende punten met elkaar eens zijn:
* de toepasselijkheid van Californisch recht, in het bijzonder de relevante bepalingen van de California Family Code,
* de vorm van de 'gemeenschap' die daaruit voortvloeit,
* 23 mei 2001 als peildatum voor de bepaling van de samenstelling van de omvang/waarde van de huwelijksgemeenschap (r.o. 4.3);
- dat het hof met betrekking tot de te verdelen huwelijksgemeenschap uitgaat van de door de rechtbank toegepaste indeling in drie categorieën, te weten de inboedel, het pensioen en het verloop van de bankrekeningen; dat er geen reden is om, zoals de vrouw ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft gesteld, de onderneming die partijen gezamenlijk dreven (het geven van danslessen en aanverwante activiteiten) hieraan nog als vierde categorie toe te voegen, aangezien de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan zich uiten in de door de rechtbank genoemde categorieën (r.o. 4.4);
- dat de man ten aanzien van het verloop van de bankrekening door overlegging van relevante bankafschriften zijn stelling dat ten tijde van de peildatum sprake was van een negatief vermogen en dat tussen partijen met betrekking tot de saldi van de bankrekeningen niets te verrekenen valt, voldoende heeft onderbouwd en dat de vrouw deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken (r.o. 4.5, 1e al.);
- dat gelet op de hoogte van het inkomen van de man in de VS en gezien het verloop van de bankrekeningen ervan moet worden uitgegaan dat partijen van dit inkomen hebben geleefd en dat er gedurende het huwelijk geen vermogen is opgebouwd (r.o. 4.5, 2e al.);
- dat ten aanzien van de inboedel niets meer valt te verdelen (r.o. 4.6);
- dat ten aanzien van de verdeling van het pensioen geen voorziening behoeft te worden getroffen (r.o. 4.7).
6. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
7. Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.3 - dat gebleken is dat partijen het erover een zijn dat als peildatum voor de bepaling van de samenstelling van de omvang/waarde van de huwelijksgemeenschap 23 mei 2001 geldt. Het onderdeel acht dit oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, in het licht van hetgeen de vrouw in haar beroepschrift dienaangaande heeft gesteld.
8. Het onderdeel faalt. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep (blz. 1/2) heeft de advocaat van de man verklaard dat de man zich erin kan vinden als wordt uitgegaan van 23 mei 2001 als peildatum en heeft de procureur van de vrouw verklaard dat de vrouw zich daarin ook kan vinden. In dit licht is, ook zonder nadere motivering, het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk: het hof heeft kennelijk geoordeeld dat, gelet op de verklaring van de procureur van de vrouw ter zitting in hoger beroep, de vrouw is teruggekomen van haar eerdere, in het beroepschrift vertolkte standpunt met betrekking tot de peildatum.
9. Onderdeel 2 van het middel neemt in twee subonderdelen stelling tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.4 - dat het met betrekking tot de te verdelen huwelijksgemeenschap uitgaat van de door de rechtbank toegepaste indeling in drie categorieën, te weten de inboedel, het pensioen en het verloop van de bankrekeningen, en dat er geen reden is om, zoals de vrouw ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft gesteld, de onderneming die partijen gezamenlijk dreven (het geven van danslessen en aanverwante activiteiten) hieraan nog als vierde categorie toe te voegen, aangezien de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan zich uiten in de door de rechtbank genoemde categorieën.
10. Subonderdeel a houdt een motiveringsklacht in en betoogt dat het oordeel van het hof dat de vermogensrechtelijke gevolgen van de bedoelde onderneming zich uiten in de door de rechtbank genoemde categorieën, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is. Het hof zou hebben miskend dat de vermogensrechtelijke gevolgen niet uitsluitend tot uitdrukking komen in de door de rechtbank genoemde categorieën, maar dat de onderneming als gevolg van de activiteiten ook een waarde (goodwill) heeft ontwikkeld, welke waarde een vermogensbestanddeel vormt dat in het gemeenschappelijk vermogen van partijen valt en derhalve in de verdeling van de huwelijksgemeenschap betrokken dient te worden.
11. Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat de vrouw heeft aangevoerd dat de onderneming goodwill heeft ontwikkeld en dat deze goodwill in de verdeling van de huwelijksgemeenschap betrokken dient te worden. Het hof kan derhalve niet verweten worden geen aandacht te hebben besteed aan dit punt. Overigens heeft te gelden dat de stelling in cassatie niet kan worden onderzocht; zij vereist immers een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats is.
12. Subonderdeel b klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de omvang van de tussen partijen bestaand hebbende huwelijksgemeenschap door de verdeling daarvan uitsluitend te baseren op de drie door de rechtbank genoemde categorieën.
13. Ook dit subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - tot uitgangspunt genomen dat het recht van Californië van toepassing is op de huwelijksvermogensrechtelijke verhouding van partijen, zodat moet worden aangenomen dat het oordeel van het hof met betrekking tot de omvang van de tussen partijen bestaand hebbende huwelijksgemeenschap berust op 's hofs uitleg van het recht van Californië. De juistheid van dit oordeel kan ingevolge het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO in cassatie niet ten toets worden gebracht.
14. Onderdeel 3 van het middel is opgebouwd uit vijf subonderdelen en neemt stelling tegen hetgeen het hof heeft overwogen en beslist - in r.o. 4.5 - met betrekking tot het verloop van de op naam van de man staande bankrekeningen.
15. Subonderdeel a klaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de (ook) in hoger beroep door de vrouw gedane, op het recht van Californië, meer bepaald art. 721 e.v. van de Family Code, gestoelde vordering dat de man zal worden bevolen op straffe van dwangsommen alle financiële bescheiden waaronder bankafschriften van zijn Nederlandse en buitenlandse rekeningen over te leggen.
16. Het subonderdeel faalt wegens gebrek aan belang. De vraag of en in hoeverre een procespartij door de rechter bevolen kan worden bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen, is - naar Nederlands recht als lex fori - te kwalificeren als een vraag van procesrecht, zodat, nu het hof - onbestreden in cassatie - heeft overwogen dat het, evenals de rechtbank, in deze zaak het Nederlandse procesrecht zal toepassen, de op het recht van Californië gestoelde vordering van de vrouw niet voor toewijzing in aanmerking kan komen, ook niet indien de bepalingen van de Family Code waarop de vrouw zich heeft beroepen naar het recht van Californië aangemerkt zouden moeten worden als regels van (materieel) huwelijksvermogensrecht. Zie L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 7e dr. 2002, nr. 44-50, in het bijzonder nr. 46 over de zgn. secundaire kwalificatie.
17. Subonderdeel b, dat uitgaat van de veronderstelling dat het hof de in subonderdeel a bedoelde vordering van de vrouw heeft afgewezen op de grond dat de vrouw geen recht of belang heeft bij de gevorderde bescheiden, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag: zoals is aangetekend bij subonderdeel a, heeft het hof aan de vordering van de vrouw klaarblijkelijk geen gehoor gegeven, omdat de vordering niet berust op het in deze zaak toepasselijke Nederlandse procesrecht.
18. Subonderdeel c bestrijdt het oordeel van het hof dat de vrouw de stelling van de man dat ten tijde van de peildatum sprake was van een negatief vermogen en dat tussen partijen met betrekking tot de saldi van de bankrekeningen niets te verrekenen valt, niet voldoende heeft weersproken en dat de vrouw haar blote stelling dat er ten tijde van de peildatum positief vermogen zou zijn, dan wel op dit moment nog aanwezig zou zijn, op geen enkele wijze heeft onderbouwd, dan wel anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Het subonderdeel acht dit oordeel in het licht van hetgeen de vrouw in dit verband heeft gesteld onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
19. De vrouw heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep (blz. 2) erkend dat zij en de man veel schulden hadden toen zij uit elkaar gingen, dat de man sinds 1 augustus 2002 zijn baan kwijt is en dat Stichting Balans Amstelveen hem helpt met het aflossen van de schulden. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk dat het hof tot zijn gewraakte oordeel is gekomen. Voor het overige leent het oordeel van het hof, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, zich niet voor toetsing in cassatie. Het subonderdeel kan daarom geen doel treffen.
20. Subonderdeel d bestrijdt het oordeel van het hof dat gelet op de hoogte van het inkomen van de man in de VS en gezien het verloop van de bankrekeningen ervan moet worden uitgegaan dat partijen van dit inkomen hebben geleefd en dat er gedurende het huwelijk geen vermogen is opgebouwd. Het subonderdeel acht dit oordeel onbegrijpelijk, in de eerste plaats omdat het hof daarbij niet de inkomsten van partijen uit de onderneming heeft betrokken, en in de tweede plaats omdat het is gebaseerd op "het verloop van de bankrekeningen", terwijl de man niet alle bankafschriften van deze rekeningen in het geding heeft gebracht.
21. De eerstbedoelde klacht faalt. Het hof heeft - tevergeefs bestreden in cassatie - in r.o. 4.4 geoordeeld dat de gevolgen van de activiteiten van de onderneming zich uiten in de door de rechtbank genoemde categorieën en dat het hof daarom ook daarvan zal uitgaan. Tegen deze achtergrond is het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
22. Ook de andere klacht faalt. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de man met de door hem overgelegde bankafschriften voldoende inzicht heeft gegeven in het verloop van de bankrekeningen om vast te kunnen stellen dat partijen van het inkomen van de man hebben geleefd en dat er gedurende het huwelijk geen vermogen is opgebouwd. Dit oordeel berust op een aan het hof voorbehouden waardering van de overgelegde producties en is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.
23. Subonderdeel d, ten slotte, verwijt het hof zonder enige motivering voorbij te zijn gegaan aan het aanbod van de vrouw om te bewijzen dat het vermogen van de man meer bedraagt dan hij heeft opgegeven.
24. Dit subonderdeel kan evenmin tot cassatie leiden. Het hof heeft - tevergeefs bestreden in cassatie - overwogen dat de vrouw haar blote stelling dat er ten tijde van de peildatum positief vermogen zou zijn, dan wel op dit moment nog aanwezig zou zijn, op geen enkele wijze heeft onderbouwd, dan wel anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Hierin ligt besloten dat de vrouw naar het oordeel van het hof niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is dat het hof aan het bewijsaanbod van de vrouw is voorbijgegaan: wie te weinig stelt, kan tot bewijs niet worden toegelaten.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
9 september 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/093HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.A. Vermeij,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. L. van Hoppe.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 21 mei 2001 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken. Daarnaast heeft de man verzocht een aantal nevenvoorzieningen te treffen.
De vrouw heeft het echtscheidingsverzoek niet doch de verzoeken van de man omtrent de nevenvoorzieningen wel bestreden en van haar kant - voor zover in cassatie nog van belang - zelfstandig verzocht de man te gebieden om binnen een week na de in deze te wijzen echtscheidingsbeschikking zijn Amerikaanse- en Nederlandse bankrekeningnummers en de afschriften vanaf 1 januari 1998 tot de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de Burgerlijke Stand af te geven en de man te veroordelen over te gaan tot de scheiding en deling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap.
De man heeft de zelfstandige verzoeken van de vrouw bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 20 februari 2002 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bij beschikking van 20 augustus 2003 vastgesteld dat partijen terzake de verdeling van de huwelijksgemeenschap niets meer van elkaar te vorderen hebben.
Tegen de beschikking van 20 augustus 2003 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 6 mei 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 9 september 2005.

