Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT6383

Datum uitspraak2005-05-24
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00138/05 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening


Conclusie anoniem

Nr. 00138/05 H Mr. Machielse Zitting 29 maart 2005 Vordering tot herziening inzake: [Aanvrager] 1. Veroordeelde is bij uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank Roermond van 24 mei 2004 wegens 1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod en 2. opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en een geldboete van € 3.500,--, subsidiair 70 dagen hechtenis. Daar de dagvaarding in persoon was uitgereikt en tegen deze uitspraak niet binnen veertien dagen na het wijzen ervan een rechtsmiddel is ingesteld, is zij onherroepelijk geworden. 2. Uit de stukken volgt dat op 14 maart 2004, om 9.40 uur, bij de politie werd gemeld dat door vijf personen plastic zakken werden gelost vlakbij de jachthut op de [a-straat] te [plaats] en "dat er iets niet zou kloppen". Toen de politie ter plaatse kwam trof zij enkele personen aan. In de auto van een van hen werd een zak met hennep en hennepresten aangetroffen. De eigenaar van deze auto legitimeerde zich met een paspoort op naam van [betrokkene 1]. Op het politiebureau te Weert gaf deze persoon aan dat hij zijn eigen paspoort had gewassen en dat hij het getoonde paspoort op naam van [betrokkene 1] had gevonden. Het eigen paspoort van deze persoon werd vervolgens door een vriend van hem naar het politiebureau gebracht. Dit paspoort stond op naam van [aanvrager]. Om 19.45 uur is aan deze persoon een dagvaarding uitgereikt, waarna hij in vrijheid is gesteld. 3.1 De Officier van Justitie te Roermond heeft de strafgriffie van de Hoge Raad een aantal stukken gestuurd waaruit volgens haar volgt dat sprake is van een persoonsverwisseling. Het betreft de volgende stukken die bij deze aanvrage zijn gevoegd en als bewijsmiddelen in de zin van art. 459 Sv worden opgegeven: - een brief van veroordeelde aan de Officier van Justitie van 13 juli 2004, die inhoudt dat hij nog nooit in Nederland is geweest en dat zijn paspoort is kwijtgeraakt in 2000-2001; - een verklaring van zijn werkgever dat hij op 14 maart 2004, de dag waarop hij het bewezenverklaarde feit zou hebben gepleegd te [plaats], tussen 06.00 uur en 14.00 uur op zijn werk in [plaats], Polen, aanwezig was, met een urenstaat;(1) - een kopie van zijn nieuwe paspoort; - een actuele foto; - een verklaring van de Afdeling Paspoorten van Zielona Góra van 19 juli 2004, inhoudende dat veroordeelde zijn paspoort op 1 oktober 2000 heeft verloren tijdens een treinreis naar Oekraïne en dat hij de plaatselijke Afdeling Paspoorten daarvan in kennis heeft gesteld op 9 oktober 2000; - een begeleidende brief van de Consulaire Afdeling van de Ambassade van de Republiek Polen te Den Haag aan de Officier van Justitie te Roermond van 20 augustus 2004 met het verzoek nader onderzoek te doen; - een afschrift van de ziektekaart van veroordeelde waaruit zou volgen dat beide wijsvingers zijn geamputeerd.(2) 3.2 Naar aanleiding van bovenstaande stukken heeft de Officier van Justitie opdracht gegeven nader onderzoek te doen naar de identiteit van de op 14 maart 2004 aangehouden persoon. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een proces-verbaal van 30 november 2004, opgemaakt door [verbalisant 1], die de aangehouden persoon die zich legitimeerde met veroordeelde's paspoort op 14 maart 2004 had verhoord. Dit proces-verbaal houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: "GEEN HERKENNING Ik, verbalisant [verbalisant 1], kan mij de door mij verhoorde persoon niet meer herinneren. De man afgebeeld op de bij de documenten gevoegd(e) pasfoto, herken ik niet. Ik weet niet of dit de door mij verhoorde persoon betreft. Wel kan ik zeggen dat door mij niet is opgemerkt of de door mij verhoorde persoon wijsvingers miste. Als dat wel het geval zou zijn, was mij dat opge[vallen] en zou ik mij dat wel kunnen herinneren. GEEN FOTO / DACTY Op de dag van het onderzoek, zondag 14 maart 2004, werd de zaak binnen de termijn van 6 uur afgehandeld en de verdachte in vrijheid gesteld. Er was voor het onderzoek niet noodzakelijk om een verdachte-foto en een dactyloscopisch signalement te maken. Deze zijn derhalve niet vervaardigd." 3.3 Het voorgaande doet het ernstig vermoeden ontstaan dat de politierechter veroordeelde zou hebben vrijgesproken als hij hiermee bekend was geweest. 4. Op grond van het voorgaande dien ik hierbij een aanvrage in tot herziening van het vonnis van de politierechter van 24 mei 2004 en concludeer ik dat de Hoge Raad de vordering tot herziening gegrond zal verklaren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Navraag heeft geleerd dat deze verklaring, die in het Pools is opgesteld en waarvan geen vertaling is bijgevoegd, inderdaad inhoudt dat veroordeelde van 12 tot en met 14 maart 2004 tussen 06.00 uur en 14.00 uur op zijn werk aanwezig was. Het feit is gepleegd om 09.40 uur. 2 Nu het hier een vel met onleesbare, handgeschreven "krabbels" betreft, kan niet worden nagegaan of deze inderdaad inhouden dat veroordeelde beide wijsvingers mist.


Uitspraak

24 mei 2005 Strafkamer nr. 00138/05 H AG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een vordering tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Roermond van 24 mei 2004, nummer 04/016452-04, betreffende: [Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende in Polen, ingediend door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Politierechter heeft de betrokkene ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en "opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van € 3.500,- subsidiair 70 dagen hechtenis. 2. De vordering tot herziening De vordering tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de vordering 3.1. De vordering berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De Procureur-Generaal voert daartoe aan dat er sprake is van een persoonsverwisseling. 3.2. Op verzoek van de Officier van Justitie te Roermond is door de regiopolitie Limburg Noord een onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn gerelateerd in een door [verbalisant 1], brigadier van politie van de regiopolitie Limburg-Noord op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, inhoudende: "BEZWAAR TEGEN VEROORDELING Tevens waren daarbij documenten gevoegd, waaruit blijkt dat een persoon met de naam [aanvrager] bezwaar aantekent tegen de veroordeling in Nederland. Hieruit zou blijken dat de op 14 maart 2004 aangehouden persoon gebruik heeft gemaakt van de naam [aanvrager]. Deze persoon zou zich hebben gelegitimeerd met een gestolen paspoort op naam van die [aanvrager]. In deze documenten is aangegeven dat beide wijsvingers van de werkelijke [aanvrager] zijn geamputeerd, hoewel dat niet werd aangetoond. Bij de documenten is een pasfoto gevoegd, kennelijk van de werkelijke [aanvrager]. Op de achterzijde van de pasfoto is geschreven: "[aanvrager] [geboortedatum]1972." De Officier van Justitie gaf opdracht nader onderzoek te doen naar de identiteit van de op 14 maart 2004 aangehouden persoon. GEEN HERKENNING Ik, verbalisant [verbalisant 1], kan mij de door mij verhoorde persoon niet meer herinneren. De man afgebeeld op de bij de documenten gevoegde pasfoto, herken ik niet. Ik weet niet of dit de door mij verhoorde persoon betreft. Wel kan ik zeggen dat door mij niet is opgemerkt of de door mij verhoorde persoon wijsvingers miste. Als dat wel het geval zou zijn, was mij dat opgevallen en zou ik mij dat wel kunnen herinneren. GEEN FOTO / DACTY Op de dag van het onderzoek, zondag 14 maart 2004, werd de zaak binnen de termijn van 6 uur afgehandeld en de verdachte in vrijheid gesteld. Het was voor het onderzoek niet noodzakelijk om een verdachte-foto en een dactyloscopisch signalement te maken. Deze zijn derhalve niet vervaardigd." 3.3. De inhoud van de bij de aanvrage overlegde bewijsmiddelen - vermeld in de vordering onder 3.1 - in samenhang beschouwd met de inhoud van genoemd proces-verbaal geeft steun aan de stelling waarop de vordering berust, te weten dat in de zaak die leidde tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd sprake is geweest van een persoonsverwisseling. 3.4. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware deze met de bovenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de betrokkene van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. 4. Slotsom Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de vordering gegrond is en als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de vordering tot herziening gegrond; Beveelt voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Roermond van 24 mei 2004; Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier R. Kuiper, en uitgesproken op 24 mei 2005. Mr. Kuiper is buiten staat dit arrest te ondertekenen.