Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT6419

Datum uitspraak2005-05-24
Datum gepubliceerd2007-07-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03138/04 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening


Uitspraak

24 mei 2005 Strafkamer nr. 03138/04 H AG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam (nevenzittingsplaats Hilversum) van 2 juni 2004, nummer 13/0605172-03, ingediend door mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat te Breda namens: [Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1935, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "verduistering" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. 2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de aanvrage 3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.2. In de aanvrage wordt onder verwijzing naar bijgevoegde stukken aangevoerd dat de aanvrager in de periode van 1 augustus 2001 tot en met 13 december 2002 als penningmeester van de Vereniging [A] gerechtigd was tot het verstrekken van leningen uit de kas van de Vereniging, ook aan zichzelf en dat, indien de politierechter daarmee bekend was geweest de aanvrager van de hem tenlastegelegde verduistering zou zijn vrijgesproken. 3.3. De in herziening overgelegde stukken, die onder meer inhouden dat de aanvrager als penningmeester "gezamenlijk bevoegd" was, bieden geen enkele steun aan de stelling waarop de aanvrage berust. De aanvrage moet daarom, als kennelijk ongegrond, worden afgewezen. 4. Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier R. Kuiper, en uitgesproken op 24 mei 2005. Mr. Kuiper is buiten staat dit arrest te ondertekenen.