
Jurisprudentie
AT7063
Datum uitspraak2005-08-30
Datum gepubliceerd2005-08-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02384/04
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-08-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02384/04
Statusgepubliceerd
Indicatie
Eisen aan verweer. Het hof behoefde het betoog van de raadsman (inhoudend een verzoek om in mitigerende zin rekening te houden met het tijdsverloop) gelet op de bewoordingen daarvan niet op te vatten als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
Conclusie anoniem
Griffienr. 02384/04
Mr. Wortel
Zitting:31 mei 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" is veroordeeld tot een geldboete van € 350,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zeven dagen hechtenis.
Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij en tot hetzelfde bedrag, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat verzoeker van deze betalingsverplichtingen zal zijn bevrijd indien en voor zover hij aan de andere, jegens of ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting heeft voldaan.
2. Namens verzoeker heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Er is één middel voorgesteld, behelzende de klacht dat het Hof heeft nagelaten een gemotiveerde beslissing te nemen op het verweer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman aldaar ten aanzien van de strafmaat betoogd:
"Subsidiair voor zover u wel tot een bewezenverklaring komt, verzoek ik u desalniettemin om het vonnis van de Rechtbank te vernietigen. Cliënt is een dienstverlening opgelegd van 120 uren. In mijn visie dient voor zover u tot een veroordeling komt daar een fors stuk op in mindering te komen. Ik wijs in dat verband allereerst op het feit dat cliënt first offender is. Voorts op de omstandigheden van het geval en op het tijdsverloop. De feiten zijn gepleegd op 29 augustus 1999, het vonnis van de Rechtbank is gedateerd op 1 oktober 2001, de stukken zijn bij uw Hof binnengekomen op 17 juli 2003 en de behandeling van het appèl is thans op 6 januari 2004, derhalve twee jaar en drie maanden na datum vonnis Rechtbank. Daar dient bij de straftoemeting in mijn visie rekening mee te worden gehouden."
5. Ofschoon van een rechtsgeleerd raadsman verwacht zou moeten kunnen worden dat hij, indien hij het standpunt wenst te betrekken dat de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn voor berechting is overschreden, zulks met zoveel woorden zegt, en de raadsman dat in dit geval niet heeft gedaan, meen ik dat het Hof het hierboven weergegeven standpunt had moeten verstaan als het betoog dat er bij de straftoemeting rekening mee moet worden gehouden dat de behandeling van de strafzaak in twee feitelijke instanties te lang heeft geduurd, derhalve als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
6. Zo een verweer vergt een gemotiveerde beslissing. In de bestreden uitspaak is evenwel niets vastgesteld omtrent de duur van de berechting.
7. De door het Hof opgelegde, hierboven onder 1 genoemde, straf - een geldboete - is aanmerkelijk minder zwaar dan de 'werkstraf' die verzoeker in eerste aanleg is opgelegd.
Opmerking verdient dat het Hof minder bewezen heeft verklaard dan de Rechtbank, met name ten aanzien van het door verzoeker uitgeoefende geweld.
Opmerking verdient evenwel ook, dat uit het formulier waarop de advocaat-generaal bij het Hof zijn eis heeft aangetekend, valt af te leiden dat ook hij van oordeel was dat ten aanzien van het door verzoeker toegepaste geweld alleen bewezen kan worden verklaard dat verzoeker het slachtoffer heeft geslagen (en dus niet, zoals de Rechtbank mede bewezen achtte, degene is geweest die het slachtoffer een kopstoot heeft gegeven en hem een glas in het gelaat heeft geduwd).
Blijkens het proces-verbaal der terechtzitting heeft de advocaat-generaal bij zijn strafeis voorts "mede gelet op het tijdsverloop".
8. Nu het Hof, wat de bewezenverklaring als grondslag voor de straftoemeting betreft, hetzelfde oordeel heeft bereikt als zijn advocaat-generaal, en ook dezelfde straf heeft opgelegd als door de advocaat-generaal gevorderd; de laatste met "het tijdsverloop" nadrukkelijk rekening heeft gehouden terwijl de in hoger beroep gevorderde en opgelegde straf aanmerkelijk milder is dan de in eerste aanleg bepaalde straf, kan het er naar mijn oordeel voor gehouden worden dat het Hof, evenals de advocaat-generaal, bij de straftoemeting heeft meegewogen dat verzoeker niet is berecht binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM doch door een kennelijke misslag is verzuimd dit in de bestreden uitspraak te vermelden.
9. Daarom meen ik dat het middel niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak behoeft te leiden.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
30 augustus 2005
Strafkamer
nr. 02384/04
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 maart 2004, nummer 23/001295-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 1 oktober 2001 - de verdachte ter zake van "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verweer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2004 gehechte pleitnota houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:
"Subsidiair voor zover u wel tot een bewezenverklaring komt, verzoek ik u desalniettemin om het vonnis van de Rechtbank te vernietigen. Cliënt is een dienstverlening opgelegd van 120 uren. In mijn visie dient voor zover u tot een veroordeling komt daar een fors stuk op in mindering te komen. Ik wijs in dat verband allereerst op het feit dat cliënt first offender is. Voorts op de omstandigheden van het geval en op het tijdsverloop. De feiten zijn gepleegd op 29 augustus 1999, het vonnis van de Rechtbank is gedateerd op 1 oktober 2001, de stukken zijn bij uw Hof binnengekomen op 17 juli 2003 en de behandeling van het appèl is thans op 6 januari 2004, derhalve twee jaar en drie maanden na datum vonnis Rechtbank. Daar dient bij de straftoemeting in mijn visie rekening mee te worden gehouden."
3.3. Het Hof behoefde het hiervoor weergegeven betoog niet op te vatten als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behandeld moet worden, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De bewoordingen van het door een raadsman geformuleerde betoog noopten daartoe niet.
3.4. Het middel mist dus feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 30 augustus 2005.

