
Jurisprudentie
AT7303
Datum uitspraak2005-09-13
Datum gepubliceerd2005-09-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02961/04
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-09-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02961/04
Statusgepubliceerd
Indicatie
De term “vellen” in de Boswet. Het hof heeft de verklaring van verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus opgevat dat deze inhield dat door het opruimen van de door ijzel beschadigde bomen ook bomen zijn omgevallen die niet beschadigd waren. Aldus heeft het hof het opruimen kunnen aanmerken als een handeling die de dood of ernstige beschadiging van de overige houtopstand ten gevolge heeft gehad. Rooien is onder vellen in de zin van de Boswet begrepen.
Conclusie anoniem
Nr. 02961/04
Mr. Machielse
Zitting 7 juni 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 21 juni 2004 ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 2, derde lid, Boswet veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-- subsidiair veertig dagen hechtenis.
2. Mr. A.M.F. van Veghel, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1 Beide middelen zijn gericht tegen de verwerping door het Hof van een ter terechtzitting gevoerd verweer. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof, door de verklaring van verdachte voor de verwerping van het verweer te gebruiken, deze verklaring heeft gedenatureerd. Het tweede middel houdt in dat 's Hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip vellen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2 Blijkens het arrest van 21 juni 2004 heeft het Hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Strafbaarheid van de verdachte
Door de raadsman is aangevoerd dat er in casu sprake is van verschoonbare dwaling, zodat een beroep op afwezigheid van alle schuld aanvaard dient te worden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat een melding niet nodig was omdat de houtopstand teniet is gegaan door natuurgeweld en verdachte slechts de "rommel" heeft geruimd.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat door hevige ijzelvorming in de maand februari 2001 de in de telastelegging nader omschreven houtopstand voor 90% omlag en dat nog slechts 10% overeind stond.
Naar het oordeel van het hof moet reeds op grond van die verklaring worden geconcludeerd dat tenminste 10% van bedoelde houtopstand is geveld.
Het verweer wordt bij gebreke aan feitelijke grondslag verworpen.
Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."
3.3 Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 7 juni 2004 heeft verdachte - voor zover hier van belang - het volgende verklaard
"In februari 2001 was er sprake van hevige ijzelvorming. De bomen zijn beschadigd door ijzel. Zeker 90% van die beschadigde bomen is omgevallen. De rest is gevallen bij de opruiming.
(...)
Als je eenmaal aan het opruimen bent dan vallen de bomen die nog overeind staan vanzelf om."
3.4 Beide middelen berusten op het uitgangspunt dat 's Hofs oordeel omtrent het begrip vellen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Vellen betekent immers omhakken, terwijl verdachte slechts de "rommel" heeft opgeruimd die het natuurgeweld had aangericht en de bomen heeft gerooid - dat wil zeggen uitgegraven - en niet omgehakt, aldus de middelen.
3.5 Art. 2, derde lid, Boswet luidt als volgt:
"Het is verboden te vellen of te doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan."
3.6 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat discussie heeft bestaan over de vraag in hoeverre het begrip vellen moest worden uitgebreid. Het begrip was al uitgebreid in die zin dat volgens art. 1, tweede lid, van het wetsontwerp onder vellen mede rooien diende te worden begrepen. Uit de Memorie van Antwoord volgt dat men een nadere uitbreiding heeft overwogen en daartoe deels heeft besloten:
"Het voorstel van enige leden om het begrip "vellen" uit te breiden tot "het op andere wijze vernietigen van een houtopstand, alsmede het toelaten daarvan of het niet treffen van maatregelen ter voorkoming" kunnen de ondergetekenden niet overnemen. Deze verruiming van het begrip "vellen" zou ertoe leiden, dat ook onder de delictsomschrijving van artikel 2, derde lid, valt hij, die gedoogt of niet verhindert dat zijn houtopstand te gronde wordt gericht, zonder dat hij hiervan tijdig kennis heeft gegeven aan de directeur, ook al heeft hij een maand tevoren niet voorzien, dat hij in een situatie zou komen te verkeren, waarin stilzitten de ondergang van zijn houtopstand tot gevolg zou hebben. Omdat het echter onmogelijk is iets te melden, waarvan men nog geen weet heeft, zou in dit geval de strafbaarstelling ongerijmd zijn.
Wel zijn de ondergetekenden bereid het begrip "vellen" in die zin uit te breiden, dat hieronder ook wordt begrepen "het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben". Zij zijn van oordeel, dat op deze wijze de werkelijk ernstige gevallen van aantasting van houtopstanden onder het bereik van het wetsontwerp worden gebracht."(1)
3.7 Een en ander heeft geleid tot de volgende inhoud van art. 1, tweede lid, Boswet:
"Voor de toepassing van deze wet wordt onder herbeplanten mede begrepen herbebossen en wordt onder vellen mede begrepen rooien alsmede het verrichten van handelingen, welke de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben."
Aldus volgt uit de wet dat onder vellen niet alleen omhakken dient te worden verstaan, maar ook rooien en daarnaast het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. De middelen berusten dus op een onjuist uitgangspunt.(2)
3.8 Verdachte heeft verklaard dat 10% van de houtopstand nog overeind stond na het natuurgeweld en dat deze 10% is omgevallen bij het opruimen door verdachte. Nu het opruimen volgens verdachte het omvallen van de bomen tot gevolg heeft gehad, heeft het Hof het opruimen kennelijk beschouwd als een handeling die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge heeft gehad en aldus als vellen in de zin van Boswet. Dat oordeel getuigt, gelet op art. 1, tweede lid, Boswet, niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip vellen en is tevens niet onbegrijpelijk. Verdachte's verklaring is dan ook niet gedenatureerd; hij erkent immers dat door zijn handelingen 10% van de houtopstand is omgevallen. Voor zover het tweede middel nog de klacht inhoudt dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen omdat uit de bewijsmiddelen slechts kan volgen dat verdachte de bomen heeft gerooid, terwijl is bewezenverklaard dat hij ze heeft geveld, kan uit het voorgaande worden afgeleid dat ook deze klacht faalt, nu volgens art. 1, tweede lid, Boswet onder vellen mede rooien wordt begrepen.
Vellen, waaronder dus begrepen het rooien, is volgens art. 2, derde lid, Boswet verboden tenzij het om een dunning gaat, een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van het overblijvende deel van de houtopstand. Zelfs zou het wettelijk systeem aldus kunnen worden uitgelegd dat ieder vellen ook van bomen die deels zijn omgewaaid, onder het verbod valt indien niet van dunning kan worden gesproken. Dus niet alleen de bomen die nog overeind stonden en bij de 'opruiming' neergingen zijn dan geveld, maar ook bomen die nog half overeind stonden en die alvorens te kunnen worden verwijderd nog moesten worden uitgegraven. Dat te verwachten is dat zo een velling niet op bezwaren zal stuiten doet hieraan niet af. In geval van urgentie of noodsituaties, waarvan overigens in de onderhavige zaak niet is gebleken, voorziet art. 6, tweede lid, Boswet in de mogelijkheid van een noodprocedure.(3)
4. Nu ik ambtshalve geen grond tot cassatie heb aangetroffen, strekt deze conclusie er toe dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Kamerstukken II, 1959-1960, 5308 6-8 (2).
2 De Raadsman van verdachte verwijst voor de betekenis van de begrippen vellen en rooien meerdere malen naar Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal en miskent daarmee dat deze begrippen in de Boswet zelf nader worden omschreven
3 Kamerstukken II, 1959-1960, 5308 6-8 (2).
Uitspraak
13 september 2005
Strafkamer
nr. 02961/04 E
PB/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 21 juni 2004, nummer 21/005840-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 11 december 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid van de Boswet" veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,00 subsidiair veertig dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M.F. van Veghel, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Beide middelen bevatten in de kern de klacht dat 's Hofs oordeel getuigt van een onjuiste opvatting omtrent het begrip "vellen" in de zin van art. 2, derde lid, Boswet.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de maand februari 2002 te [plaats A], op een perceel grond, kadastraal bekend: gemeente [plaats B], sectie [A], nummers [001] en [002] en sectie [B], nummers [003], [004], [005] en [006], een houtopstand, bestaande uit grove den, Amerikaanse en inlandse eiken en berkenbomen, heeft geveld of doen vellen anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een daaraan voorafgaande tijdige kennisgeving, als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Boswet, was gedaan."
3.3. De in de tenlastelegging voorkomende term "heeft geveld of doen vellen" is daarin kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in de Boswet.
3.4. Art. 2, derde lid, Boswet luidt als volgt:
"Het is verboden te vellen of te doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan."
3.5. Art. 1, tweede lid, Boswet luidt voorzover hier van belang:
"Voor de toepassing van deze wet (...) wordt onder vellen mede begrepen rooien alsmede het verrichten van handelingen, welke de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben."
3.6. In zijn arrest heeft het Hof een namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Strafbaarheid van de verdachte
Door de raadsman is aangevoerd dat er in casu sprake is van verschoonbare dwaling, zodat een beroep op afwezigheid van alle schuld aanvaard dient te worden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat een melding niet nodig was omdat de houtopstand teniet is gegaan door natuurgeweld en verdachte slechts de "rommel" heeft geruimd.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat door hevige ijzelvorming in de maand februari 2001 de in de telastelegging nader omschreven houtopstand voor 90% omlag en dat nog slechts 10% overeind stond.
Naar het oordeel van het hof moet reeds op grond van die verklaring worden geconcludeerd dat tenminste 10% van bedoelde houtopstand is geveld.
Het verweer wordt bij gebreke aan feitelijke grondslag verworpen.
Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."
3.7. Het eerste middel klaagt dat het Hof "de verklaring van verzoeker ter terechtzitting heeft gebruikt voor de verwerping van het namens hem gevoerde verweer, waardoor het Hof de strekking van de verklaring van de verzoeker zelfstandig heeft aangepast en op die wijze heeft 'gedenatureerd'."
3.8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juni 2004 heeft de verdachte - voorzover hier van belang - het volgende verklaard:
"Er stond nog maar 10% van de bomen overeind; de overige 90% was omgevallen.
(...)
In februari 2001 was er sprake van hevige ijzelvorming. De bomen zijn beschadigd door ijzel. Zeker 90% van die beschadigde bomen is omgevallen. De rest is gevallen bij de opruiming.
Ik heb eerst zelf getracht om de boel op te ruimen. Ik had echter zwaarder materiaal nodig. Eind december 2001 heb ik een loonbedrijf ingehuurd en in januari 2002 hebben we een aanvang gemaakt met het opruimen van het bos. Ik meen dat de werkzaamheden een gehele week in beslag hebben genomen. Het is juist dat ik voor de aanvang van die werkzaamheden geen vergunning heb aangevraagd. Ik meen dat dat ook niet nodig is; ik heb eerder ook bospercelen opgeruimd zonder dat ik daarvoor een vergunning heb aangevraagd. Als je eenmaal aan het opruimen bent dan vallen de bomen die nog overeind staan vanzelf om. Ik heb geen melding gedaan van mijn werkzaamheden in het bos."
3.9. Het Hof heeft de verklaring van de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus opgevat dat deze inhield dat door het opruimen van de door ijzel beschadigde bomen ook bomen zijn omgevallen die niet beschadigd waren. Aldus beschouwd heeft het Hof het opruimen kunnen aanmerken als een handeling welke de dood of ernstige beschadiging van de overige houtopstand ten gevolge heeft gehad.
3.10. Ook het tweede middel faalt omdat het miskent dat rooien onder vellen in de zin van de Boswet is begrepen.
3.11. Beide middelen falen derhalve.
4. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 13 september 2005.

