Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT7922

Datum uitspraak2005-06-17
Datum gepubliceerd2005-06-22
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 1066/04 Premie WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: BK 04/01066 17 juni 2005 Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Heerenveen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de premie arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen voor het jaar 2001. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan de belanghebbende is voor het jaar 2001 ambtshalve een aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 35.000,--. Tevens is een verzuimboete opgelegd van € 567,-- en een heffingsrente berekend van € 101,--. 1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 12 oktober 2004 de aanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil. 1.3 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift dat op 23 november 2004 bij het gerechtshof is ingekomen. Bij brief van 10 januari 2005 (met bijlagen) zijn de gronden van het beroep aangevuld. 1.4 Op 25 maart 2005 heeft de inspecteur een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof. 1.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 23 mei 2005 te Leeuwarden. Aldaar is namens de belanghebbende verschenen haar echtgenoot A, alsmede de inspecteur, bijgestaan door mr. B. 1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1De belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekering (: IB/PV), Ziekenfondswet en Wet arbeids-ongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (: Waz). In verband hiermee heeft de inspecteur voor het jaar 2001 ambtshalve een aanslag IB/PV vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.000,--. Het hiertegen ingediende bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard en het tegen deze uitspraak ingestelde beroep is bij uitspraak van heden, kenmerk BK 04/01065, niet-ontvankelijk verklaard. 2.2 Van voornoemd bedrag van € 60.000,-- heeft de inspecteur € 25.000,-- toegerekend aan het belastbare loon (door de belanghebbende gesteld op € 23.519,--). Een bedrag van € 35.000,-- heeft de inspecteur aangemerkt als belastbare winst uit onderneming. Laatstgenoemd bedrag heeft hij tevens aangemerkt als premie-inkomen voor de onderhavige aanslag. Tegen deze aanslag heeft de belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft bij uitspraak van 12 oktober 2004 met toepassing van artikel 25, lid 6, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) de aanslag gehandhaafd. De boete heeft hij verminderd tot nihil. 2.3 Belanghebbendes onderneming bestaat sinds 1997 uit hypotheekbemiddeling, pensioenadvisering en verzekeringen. Voor de jaren 1998 tot en met 2000 bedroegen de provisie- en adviesinkomsten respectievelijk ƒ 36.850,--, ƒ 38.662 en ƒ 50.684,--. In het onderhavige jaar is - naar belanghebbendes gemachtigde ter zitting heeft meegedeeld - geen sprake van staking van de onderneming. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. 3.2 De belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij in 2001geen winst uit onderneming heeft genoten en dus geen premie is verschuldigd op grond van de Waz. Zij stelt dat haar verlies uit onderneming , rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, circa € 25.000,-- bedraagt. 3.3 De inspecteur is van mening dat het premie-inkomen in redelijkheid en terecht is vastgesteld op een bedrag van € 35.000,--. De belanghebbende - op wie de bewijslast rust - heeft zijns inziens niet doen blijken van het tegendeel. Ter zitting heeft de inspecteur zijn standpunt dat in 2001 sprake is van staking van de onderneming laten varen. 3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken. 4. Overwegingen omtrent het geschil 4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 75 van de Waz juncto de artikelen 1 en 27e van de AWR - voor zover hier van belang - verklaart het gerechtshof het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. 4.2 In het onderhavige geval is de vereiste aangifte niet gedaan. Ook heeft de belanghebbende niet op een later moment aangifte gedaan of op een andere wijze inzicht gegeven in de door haar onderneming behaalde resultaten. Met de enkele stelling dat het verlies uit onderneming circa € 25.000,-- bedraagt heeft zij geenszins doen blijken dat de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken dat het premie-inkomen op een onredelijk bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft bij de bepaling van het premie-inkomen terecht geen rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek nu uit de artikelen 1, lid 1, onder i, en 72 van de Waz volgt dat de winst uit onderneming vermeerderd dient te worden met de ondernemersaftrek (waartoe de zelfstandigenaftrek behoort). 4.3 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna is vermeld. 5. Proceskosten Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Beslissing Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld op 17 juni 2005 door prof.mr. E. Aardema, vice-president en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en voornoemde griffier. Op 22 juni 2005 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.