
Jurisprudentie
AT8512
Datum uitspraak2005-06-16
Datum gepubliceerd2005-06-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5399 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-06-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5399 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontslag ambtenaar uit tijdelijke dienst wegens ongeschiktheid en onbekwaamheid.
Hoorplicht na bekendworden nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
03/5399 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de daartoe bij (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 oktober 2003, nr. AWB 02/1750 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 maart 2005, waar appellante in persoon is verschenen. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende.
1.1. Appellante is bij besluit van 20 juni 2001 met ingang van 30 juli 2001 aangesteld als [naam functie] bij de Directie Plannen en Internationale Materieel-betrekkingen van het Directoraat-Generaal Materieel van het Ministerie van Defensie. Daarbij is bepaald dat de aanstelling krachtens artikel 7, tweede lid, sub a, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (hierna: Bard) zal geschieden in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd met een proeftijd van maximaal 1 jaar.
1.2. Bij besluit van 20 november 2001 heeft gedaagde met toepassing van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder g, van het Bard appellante per 1 februari 2002 ontslag verleend.
1.3. In het kader van het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar zijn appellante, haar leidinggevende (J), haar plaatsvervangend leidinggevende (H) en de directiesecretaris/personeelsadviseur (K), ieder apart, door de bezwarencommissie gehoord omtrent het functioneren van appellante.
1.4. Bij het bestreden besluit van 19 maart 2002, aan welk besluit de van voornoemde hoorzittingen opgemaakte verslagen mede ten grondslag zijn gelegd, heeft gedaagde appellantes bezwaar ongegrond verklaard.
1.5. Bij schrijven van 6 mei 2002 heeft appellante bij de rechtbank ’s-Gravenhage beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en die rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.6. Bij uitspraak van 17 juli 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank appellantes verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante handhaaft in hoger beroep haar grief dat de gronden waarop het oordeel van gedaagde steunt, dat zij onbekwaam of ongeschikt was voor het vervullen van haar functie, niet op de waarheid berusten. Appellantes grief van formele aard betreft de door gedaagde gevolgde procedure in bezwaar en met name het feit, dat voor haar belastende verklaringen zijn afgelegd buiten haar tegenwoordigheid en waarvan zij eerst kennis heeft kunnen nemen uit de bij het bestreden besluit gevoegde verslagen van de hoorzittingen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.1. Naar aanleiding van hetgeen appellante daaromtrent heeft gesteld overweegt de Raad in de eerste plaats dat in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelet op de bepalingen met betrekking tot de wijze waarop de bezwarenprocedure moet worden gevoerd, niet is voorgeschreven dat getuigen of informanten steeds in tegenwoordigheid van de belanghebbende worden gehoord. Indien echter uit dat horen feiten of omstandigheden bekend worden die voor het nemen van de beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dient die informatie, gelet op het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb, zo spoedig mogelijk aan de belanghebbende te worden meegedeeld en dient hij in de gelegenheid te worden gesteld daarover te worden gehoord.
4.1.2. In dit geval zijn door J, H en K voornoemd ten overstaan van de bezwaren-commissie nadere, gedetailleerde verklaringen afgelegd omtrent appellantes wijze van functioneren. Appellante is echter niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord over de door deze personen afgelegde verklaringen. Het pas bij het bestreden besluit meezenden van de verslagen van de desbetreffende hoorzittingen, nadat appellante telefonisch op de hoogte is gebracht van slechts de essentie daarvan, acht de Raad in strijd met de artikelen 7:2 en 7:9 van de Awb.
4.1.3. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij die beslissing in stand is gelaten.
4.2. Nu appellante gedurende de procedure in beroep en in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest alsnog haar reacties op bedoelde verklaringen te geven en zij die gelegenheid ook heeft benut, acht de Raad het aangewezen te onderzoeken of het bestreden besluit inhoudelijk de rechterlijke toetsing kan doorstaan en of hierin aanleiding wordt gevonden de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten.
4.3. Het gaat in dit geding om een ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd met een proeftijd, op de grond dat appellante onbekwaam of ongeschikt is voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder g, van artikel 121 van het Bard.
4.4. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 19 februari 2004, LJN AO5016) kan de ambtenaar die in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd is aangesteld, op elke redelijke grond ontslag worden verleend, mits het ontslagverlenend orgaan daarmee niet in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.
4.5. Het door gedaagde aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feitencomplex vindt naar het oordeel van de Raad genoegzaam en eenduidig steun in de gedingstukken. Zo komt uit de eerdergenoemde door J, H en K afgelegde verklaringen, uit de verslagen van de op 5 september 2001 en 16 oktober 2001 met appellante gehouden gesprekken alsmede uit de op schrift gestelde verklaring van 20 augustus 2001 van Brigade-generaal T naar voren, dat appellante vanaf het moment van indiensttreding steeds haar eigen inzichten heeft gevolgd en dat door appellantes kritische en confronterende houding ten opzichte van haar collega’s en leidinggevenden een zodanig onwerkbare situatie is ontstaan dat samenwerking in het team niet meer mogelijk was. Dit laatste is van zwaarwegende betekenis nu het teamondersteunende karakter van de functie juist een nauwe samenwerking met collega’s vereiste. Appellante bestrijdt de juistheid van de feiten niet wezenlijk doch zij deelt geenszins de door gedaagde daaraan verbonden gevolgtrekking dat uit die feiten voldoende blijkt dat haar functioneren ver beneden de maat lag. Integendeel, zij plaatst de door gedaagde omschreven gedragingen geheel in de sleutel van - naar appellantes oordeel gerechtvaardigde - kritiek op haar collega’s en chefs.
4.6. De Raad acht de door gedaagde getrokken conclusie, dat het functioneren van appellante door haar houding en gedrag ten opzichte van collega’s en meerderen ernstige tekortkomingen vertoonde, derhalve voldoende onderbouwd aan de hand van weergaven van concrete gedragingen van appellante op grond van welke conclusie gedaagde terecht tot het inzicht is gekomen dat appellante ongeschikt was in hiervoor genoemde zin. Hierbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat appellante door haar leidinggevende meerdere malen op haar gedrag is aangesproken. Op 5 september 2001 is aan appellante voorgehouden dat zij haar houding en gedrag diende te verbeteren op straffe van rechtspositionele consequenties. Appellante moet worden geacht op dat moment te hebben begrepen wat er van haar verwacht werd. Ondanks dat appellante vervolgens in de gelegenheid is gesteld haar gedrag te verbeteren hebben zich kort nadien als gevolg van het gedrag van appellante opnieuw moeilijkheden van dezelfde aard in de samenwerking met collega’s voorgedaan.
4.7. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat gedaagde de bevoegdheid toekwam appellante te ontslaan op de door hem gekozen grond. Niet kan worden staande gehouden dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn ontslagbevoegdheid gebruik te maken.
5. Aangezien de Raad op de hierboven aangegeven gronden van oordeel is dat het besluit van gedaagde wat de inhoud betreft de rechterlijke toetsing kan doorstaan, acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72 derde lid van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
6. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 19,96 aan reiskosten. Tevens dient aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 284,- te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 maart 2002 geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 19,96 te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en prof. mr. L.F.M. Verhey als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) P.J.W. Loots.
HD
27.06
Q

