Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT9183

Datum uitspraak2005-09-09
Datum gepubliceerd2005-09-09
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC04/162HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

9 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/162HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n 1. [Verweerder 1] en 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. F.E. Vermeulen. 1. Het geding in feitelijke instanties...


Conclusie anoniem

Rolnummer C04/162HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 29 april 2005 Conclusie inzake [eiser] tegen 1. [verweerder 1] 2. [verweerster 2] Inleiding 1. Partijen, verder: [eiser] en [verweerder] (enkelvoud), zijn buren. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de strook grond die - naar een kadastrale meting in 1965 heeft uitgewezen - behoort bij het perceel van [verweerder] en die ligt tussen de woonboerderij van [verweerder] en zijn perceel, door hem in eigendom is verkregen door verkrijgende hetzij bevrijdende verjaring; hij heeft daartoe betoogd dat hij sedert eind jaren '60 doch in ieder geval vanaf 1973 bezitter is geworden van deze strook grond toen deze strook in dat jaar van de openbare weg werd afgesloten (en voor [verweerder] ook nog slechts bereikbaar was via [eiser]'s tuin) doordat hij, [eiser], op zijn perceel een schuur oprichtte waarvan de achterwand doorliep tot aan de boerderij van [verweerder] (terwijl de (open) zijwand van de schuur in de perceelsgrens was gebouwd). [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat van bezit en van verjaring geen sprake kan zijn; toen [eiser] niet wilde voldoen aan de aanzegging de planken van de achterwand van de schuur te verwijderen voorzover deze achterwand op de litigieuze strook grond stond die ter plaatse circa 52 centimeter breed is, heeft hij in oktober 1996 de desbetreffende planken zelf verwijderd en vervangen door aanvankelijk een hekje en later door een houten deurtje. [eiser] heeft vervolgens in dit geding gevorderd te verklaren voor recht dat hij eigenaar is van de genoemde strook grond; voorts heeft hij gevorderd [verweerder] te bevelen om te gedogen dat [eiser] de wand weer in de oorspronkelijke staat brengt met veroordeling van [verweerder] tot betaling - bij wijze van schadevergoeding - van f 2.500,- als zijnde de met het herstel van de wand gemoeide kosten. Het hof heeft de vorderingen - anders dan de rechtbank - afgewezen. [eiser] betwist in cassatie niet 's hofs oordeel dat van eigendomsverkrijging door verjaring geen sprake is. Hij komt slechts op tegen 's hofs oordeel dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden gerechtigd was de wand te verwijderen voorzover daardoor de toegang tot zijn strook grond werd belemmerd. Voordat ik het middel bespreek, geef ik volledigheidshalve een kort overzicht van de feiten en het van het verloop van het geding. 2. Tussen partijen staat - kort gezegd - het volgende vast (zie rechtsoverweging 3 van het arrest van het hof dat in rechtsoverweging 2 verwijst naar de volledige opsomming in rechtsoverweging 2a-i van het vonnis van de rechtbank): i) Sedert 1969 is [verweerder] eigenaar van het perceel [b-straat 1-3] te [woonplaats]. Na renovatie van de op dat perceel gelegen boerderij is [verweerder] daar in 1970 gaan wonen. ii) [Eiser] woont sedert 1964 op het - hem in eigendom toebehorende - perceel [a-straat 1] te [woonplaats]. De achterzijde van dit perceel is (eveneens) gelegen aan het [b-straat] en grenst aan het perceel van [verweerder]. iii) In 1965 heeft een kadastrale inmeting uitgewezen dat een strook grond tussen enerzijds de woonboerderij van [verweerder] en anderzijds de grens van het perceel van [eiser], aan de zijde van het [b-straat], behoort bij het perceel van [verweerder]. Deze strook grond heeft volgens de kadastrale inmeting een breedte van circa 52 centimeter aan de zijde van het [b-straat], verlopend naar circa 45 centimeter aan het andere uiteinde van de boerderij van [verweerder]. De kadastrale meting vond plaats op verzoek van de aannemer van [eiser] in verband met de renovatie van diens boerderij/het aanleggen van een nieuwe riolering. Bij gelegenheid van de inmeting zijn op de uiteinden van de grens naast de boerderij van [verweerder] twee piketpaaltjes geslagen. iv) Tot 1973 bevond zich naast (en direct tegen) de woonboerderij van [verweerder] een deurkozijn met daarin een deur die toegang bood zowel naar de strook grond als naar het erf van [eiser]. In 1973 heeft [eiser] op de achterzijde van zijn perceel, gelegen aan het [b-straat], een schuur gebouwd, met een tot aan de zijgevel van de boerderij van [verweerder] lopende gesloten achterwand. Sedertdien had [verweerder] slechts via het erf van [eiser] toegang tot de strook grond, waarvan hij, in verband met onder meer het reinigen en onderhoud van de goten van zijn boerderij, één à twee keren per jaar gebruik maakte. v) In oktober 1996 heeft [verweerder] een aantal planken van deze achterwand, grenzend aan zijn woonboerderij, verwijderd en vervangen aanvankelijk door een hekje en later door een houten deurtje. 3. Bij inleidende dagvaarding van 7 juni 2001 heeft [eiser] [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem. Zoals hiervoor onder 1 reeds aangestipt, heeft hij gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat hij krachtens verjaring eigenaar is van de litigieuze strook grond en voorts dat aan [verweerder] het bevel wordt gegeven het door hem geplaatste houten deurtje te verwijderen en te gehengen en gedogen dat [eiser] de wand weer terugbrengt in de oorspronkelijke staat (dat wil zeggen dat de wand van de schuur weer doorloopt tot de woonboerderij van [verweerder]) met veroordeling van [verweerder] tot betaling bij wijze van schadevergoeding van f 2.500,-, zijnde de met het herstel van de wand gemoeide kosten. Hij heeft daartoe primair gesteld dat hij sedert eind jaren '60 en in ieder geval vanaf 1973 het ondubbelzinnige bezit van de strook grond heeft gehad en dat hij daarom hetzij door verkrijgende verjaring hetzij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat hij krachtens horizontale natrekking eigenaar is geworden van het deel van de achterwand van de schuur dat zich op de litigieuze strook grond bevindt en dat [verweerder] niet terug kan komen van de in 1973 gegeven toestemming tot het plaatsen van de achterwand. 4. [Verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 5. De rechtbank heeft bij vonnis van 10 september 2002 de vorderingen van [eiser] toegewezen, daartoe overwegende dat [eiser] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de litigieuze strook grond nu hij vanaf 1973 tot en met 1993 onafgebroken de feitelijke macht over de strook grond heeft gehad. 6. Het hof te Amsterdam heeft - bij arrest van 5 februari 2004 - het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof met betrekking tot de primaire grondslag van de vorderingen van [eiser] - verkrijgende hetzij bevrijdende verjaring wegens bezit van de strook grond sedert eind jaren '60 dan wel vanaf 1973 - overwogen dat van verjaring geen sprake kan zijn nu niet is voldaan aan het vereiste van ondubbelzinnig bezit; in dat verband heeft het hof overwogen dat [eiser] voor de periode sedert eind jaren '60 geen duidelijke bezitsdaden heeft gesteld of te bewijzen aangeboden, en dat [eiser] evenmin voldoende specifiek heeft gesteld en te bewijzen aangeboden dat hij in 1973 de rechten van [verweerder] op onmiskenbare wijze heeft weersproken zoals was vereist voor een wijziging in de bestaande toestand van eigendom en bezit van [verweerder]. In dat verband heeft het hof overwogen dat integendeel uit een aantal door [eiser] aan [verweerder] geschreven brieven kan worden opgemaakt dat [eiser] zich bewust was van de eigendomsrechten van [verweerder] en dat [eiser] zelf verklaart dat ter gelegenheid van en met betrekking tot de plaatsing van de schutting in 1973 tussen hem en [verweerder] contacten zijn geweest en in harmonie afspraken zijn gemaakt. Met betrekking tot het door [eiser] gepretendeerde bezit te goeder trouw heeft het hof voorts als uiterst ongeloofwaardig gekwalificeerd de stelling van [eiser] dat hij niet op de hoogte is gebracht van de resultaten van de aanwijzing en inmeting door het kadaster, uit welke inmeting bleek dat de litigieuze strook grond behoorde bij het kadastrale perceel van [verweerder] en bij welke inmeting de kadastrale grenzen tussen de percelen zijn vastgesteld en twee piketpaaltjes zijn geslagen. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag van de vorderingen - te weten dat [eiser] krachtens horizontale natrekking eigenaar is geworden van het desbetreffende deel van de buitenwand van de schuur en dat [verweerder] niet kan terugkomen van de in 1973 gegeven toestemming tot het plaatsen van de achterwand - heeft het hof als volgt overwogen: "3.17. Bij de beoordeling van deze grondslag moet vooropstaan dat in het primair door [eiser] aangevoerde besloten ligt dat tussen partijen over de toegang door [verweerder], met behoud van de eigendomsrechten van [verweerder], nu juist geen afspraken zijn gemaakt, dat [eiser] uit het plaatsen van de aaneengesloten [lees: achterwand; DVL] vergaande conclusies wenst te verbinden en - zelfs - volledige eigendomsrechten van de strook grond pretendeert. Dit zo zijnde moet worden geoordeeld dat [verweerder] gerechtigd is de indertijd gegeven toestemming tot het plaatsen van de - volledig afsluitende - achterwand te herroepen, althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] [verweerder] wil houden aan deze indertijd door hem gegeven toestemming. Ook moet in de gegeven omstandigheden worden geoordeeld dat [verweerder] gerechtigd was de wand te verwijderen voor zover daardoor de toegang tot zijn strook grond werd belemmerd. Wie eigenaar was van het desbetreffende deel van de schutting kan buiten beschouwing blijven, temeer nu gesteld noch gebleken is dat [verweerder] de weggehaalde planken voor zichzelf heeft (willen) behouden." 7. Tegen dit arrest heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] heeft conform het verzoek van [eiser] ter bekorting van de procedure in zijn conclusie van antwoord, die strekt tot verwerping van het cassatieberoep, gemotiveerd verweer gevoerd. Partijen hebben over en weer afgezien van re- en dupliek. Het cassatiemiddel 8. Het middel komt op tegen rechtsoverweging 3.17 waarin het hof oordeelde dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden gerechtigd was de wand te verwijderen voorzover daardoor de toegang tot zijn strook grond werd belemmerd en dat daarbij buiten beschouwing kan blijven wie eigenaar was van het desbetreffende deel van de wand, temeer nu gesteld noch gebleken is dat [verweerder] de weggehaalde planken voor zichzelf heeft (willen) behouden. Het middel klaagt dat 's hofs oordeel dat buiten beschouwing kon blijven wie eigenaar was van het desbetreffende deel van de wand blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de geoorloofdheid van eigenrichting, althans dat 's hofs oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Het middel betoogt dat het hof de vraag wie eigenaar is van het over het erf van [verweerder] uitstekende deel van de wand niet buiten beschouwing had mogen laten nu het "behoudens de niet bij voorbaat uit te sluiten mogelijkheid van bijzondere, door de rechter in zijn motivering te betrekken, omstandigheden die bijvoorbeeld een rechtvaardigingsgrond opleveren" uitsluitend van het antwoord op die vraag afhing of [verweerder] het uitstekende deel van de straatwand eigenmachtig mocht laten verwijderen dan wel of die eigenmachtige verwijdering neerkwam op (ongeoorloofde) eigenrichting, weshalve [eiser]'s vordering tot herstel in de oude toestand voor toewijzing in aanmerking kwam. 9. Met zijn betoog dat het hof de vraag wie eigenaar is van het over het erf van [verweerder] uitstekende deel van de wand niet buiten beschouwing had mogen laten nu het uitsluitend van het antwoord op die vraag afhing of [verweerder] het uitstekende deel van de straatwand eigenmachtig mocht laten verwijderen "behoudens de niet bij voorbaat uit te sluiten mogelijkheid van bijzondere, door de rechter in zijn motivering te betrekken, omstandigheden die bijvoorbeeld een rechtvaardigingsgrond opleveren", neemt het middel kennelijk tot uitgangspunt dat een daad van eigenrichting alleen dan ongeoorloofd is indien de dader zich daarbij op enigerlei wijze schuldig maakt aan een onrechtmatige daad en dat een daad van eigenrichting niet ongeoorloofd is ingeval sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat van onrechtmatigheid geen sprake. Zie in dit verband ook de losbl. editie Onrechtmatige Daad I (Jansen), aant. 133.1 en 133.2 bij art. 162 lid 2 BW, waar wordt aangetekend dat de vraag of een eigenrichting onrechtmatig is in de literatuur op tweeërlei wijze wordt benaderd en dat kan worden geconstateerd dat volgens de rechtspraak een daad van eigenrichting ongeoorloofd moet worden geacht indien de dader zich daarbij op enigerlei wijze schuldig maakt aan een onrechtmatige daad, zodat ook bij eigenrichting het tweede lid van art. 6:162 BW beslissend is en daarmee ook rechtvaardigingsgronden een rol kunnen spelen. Zie ook Asser-Hartkamp 4-III, 2002, nr. 65. Het middel gaat klaarblijkelijk tevens ervan uit dat uit 's hofs bestreden overweging niet valt op te maken, althans niet voldoende duidelijk, of het hof heeft geoordeeld dat in casu sprake was van bijzondere omstandigheden die maken dat van een onrechtmatige daad geen sprake was ook ingeval het desbetreffende deel van de achterwand eigendom was van [verweerder]. Daarmee gaat het middel uit van een onjuiste lezing van 's hofs arrest. Het hof heeft in zijn gewraakte rechtsoverweging immers vooropgesteld dat [verweerder] gerechtigd was de indertijd gegeven toestemming tot het plaatsen van de - volledig afsluitende - achterwand te herroepen, althans dat [verweerder] niet aan de indertijd gegeven toestemming kon worden gehouden, gegeven het feit dat [eiser] zich primair op het standpunt stelt dat over de toegang voor [verweerder] tot de litigieuze strook grond met behoud van zijn eigendomsrechten juist geen afspraken zijn gemaakt en gegeven het feit dat [eiser] aan het plaatsen van de achterwand vergaande conclusies en zelfs eigenomsverkrijging van de strook grond verbindt. Het hof heeft vervolgens overwogen dat in de gegeven omstandigheden ook moet worden geoordeeld dat [verweerder] gerechtigd was de wand te verwijderen voorzover daardoor de toegang tot zijn strook grond werd belemmerd en dat daarbij buiten beschouwing kan blijven wie eigenaar was van het desbetreffende deel van de wand, temeer nu gesteld noch gebleken is dat [verweerder] de weggehaalde planken voor zichzelf heeft (willen) behouden. Aldus heeft het hof - voldoende duidelijk - tot uitdrukking gebracht dat ook als het desbetreffende deel van de achterwand eigendom van [eiser] zou zijn, [verweerder] niet onrechtmatig heeft gehandeld door dat deel van de schutting te verwijderen teneinde aldus weer onbelemmerde toegang tot zijn eigen strook grond te verkrijgen nu daarvoor in de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval gezien het eigen gedrag en de onterechte eigendomspretenties van [eiser] voldoende rechtvaardiging bestond, temeer nu gesteld noch gebleken is dat [verweerder] de weggehaalde planken voor zichzelf heeft (willen) behouden. 10. Nu het middel faalt, moet het beroep worden verworpen. Ik geef uw Raad in overweging de zaak af te doen met toepassing van art. 81 RO. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

9 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/162HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n 1. [Verweerder 1] en 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. F.E. Vermeulen. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 7 juni 2001 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: A. te verklaren voor recht dat [eiser] krachtens verjaring eigenaar is van de strook grond die zich blijkens de kadastrale inmeting van 3 september 1996 bevindt tussen zijn perceel aan de [a-straat 1] te [woonplaats] en de noordgevel van de woonboerderij van [verweerder] c.s. aan het [b-straat 1-3] te [woonplaats], verlopend van circa 52 centimeter aan de zijde van het [b-straat] te [woonplaats] tot circa 45 centimeter aan het andere uiteinde van de boerderij van [verweerder] c.s.; B. [verweerder] c.s. te bevelen het door hen boven het perceel van [eiser] aangebrachte deurtje met ophangconstructie c.a. binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van ƒ 500,-- per dag voor iedere dag dat zij nalaten aan dit bevel te voldoen; C. [verweerder] c.s. te bevelen te gehengen en te gedogen dat [eiser] de wand van de schuur gelegen op zijn perceel aan de zijde van het [b-straat] te [woonplaats], tot aan de boerderij van [verweerder] c.s., weer in de oorspronkelijke staat terugbrengt, door de aanwezige wand van de schuur weer door te trekken tot aan hun boerderij, op straffe van een dwangsom van ƒ 500,-- per dag, voor iedere dag dat zij nalaten aan dit bevel te voldoen; D. [verweerder] c.s. te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wijze van schadevergoeding aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 2.500,-- inclusief B.T.W., zijnde de kosten voor het herstel van de wand van de schuur in de oorspronkelijke staat; E. [verweerder] c.s. te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van ƒ 3.698,89 inclusief B.T.W. aan buitengerechtelijke kosten; F. [verweerder] c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure. [Verweerder] c.s. hebben de vorderingen bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 10 september 2002 de vorderingen toegewezen. Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 5 februari 2004 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot verwerping van het beroep. Partijen hebben van schriftelijke toelichting afgezien. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 12 mei 2005 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op heden aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 9 september 2005.