Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AU3196

Datum uitspraak2005-09-21
Datum gepubliceerd2005-09-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers102689 / HA ZA 04-1469
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 6:162 BW. Bestuurdersaansprakelijkheid. Uitleg en toepassing van Beklamel-norm.


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht Enkelvoudige handelskamer Zaaknr/rolnr: 102689 / HA ZA 04-1469 Uitspraak: 21 september 2005 V O N N I S in de zaak, aanhangig tussen: de besloten vennootschap DIRECTORS CAST & CREW PAYROLL SERVICES B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, procureur mr. M.G.I.W. Teunis, advocaat mr. J.N.T. van der Linden te Amsterdam, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, procureur mr. J. van Wijmen, advocaat mr. D. van Kampen te Utrecht. PROCESGANG De zaak is bij op 20 oktober 2004 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld: - een akte wijziging grondslag eis van de zijde van Payroll; - een conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde]; - een conclusie van repliek van de zijde van Payroll; - een conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde]. Tenslotte is op verzoek van partijen vonnis bepaald. CONCLUSIES VAN PARTIJEN De vordering van Payroll strekt ertoe voor recht te verklaren dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens Payroll en om, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan Payroll te betalen: I een schadevergoeding van EUR 129.765,16; II een en ander vermeerderd met de contractuele rente van 2% per maand vanaf 1 augustus 2004, dan wel met ingang van de datum van de dagvaarding, tot het moment van algehele voldoening; III de kosten van de conservatoire beslagleggingen; IV de kosten van het geding. Daartegen is door [gedaagde] verweer gevoerd met conclusie Payroll niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar die vordering te ontzeggen, met veroordeling -uitvoerbaar bij voorraad- van Payroll in de kosten van de procedure. MOTIVERING 1 Vaststaande feiten 1.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede gezien de inhoud van de overgelegde en in zoverre onbestreden producties, het volgende vast. 1.2 [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van Daniel Films B.V. Daniel Films is één van de statutaire directeuren van Ocean Warrior B.V. [gedaagde] gaf als bestuurder van Daniel Films (tezamen met enkele anderen) leiding aan Ocean Warrior B.V., ondermeer in de functie van producent. 1.3 Payroll heeft in januari en februari 2001 in opdracht van Ocean Warrior B.V. diensten verricht voor de productie van de speelfilm Ocean Warrior. De diensten bestonden uit het "verlonen" van medewerkers aan de film, in die zin dat Payroll optrad als werkgever van de medewerkers en de daarmee gemoeide kosten (zoals salaris en werkgeverslasten) vermeerderd met een commissie bij Ocean Warrior B.V. in rekening bracht. 1.4 Vanwege financiële problemen -de commanditaire vennootschap Ocean Warrior bleek niet over voldoende financiële middelen te beschikken, omdat er onvoldoende participaties waren verkocht- is de productie van de film op 13 februari 2001 gestaakt. Inmiddels waren (onoverbrugbare) meningsverschillen ontstaan tussen de bestuurders van Ocean Warriors B.V. onderling en tussen Ocean Warriors B.V. en MPC, het emissiekantoor dat de CV-participaties diende te verkopen. Na 5 februari 2001 zijn er geen werknemers meer via Payroll bij Ocean Warrior B.V. aan het werk geweest. 1.5 Op 20 februari 2001 vond een gesprek plaats tussen vertegenwoordigers van Ocean Warrior B.V., waaronder [gedaagde] en vertegenwoordigers van Payroll. Bij die gelegenheid is aan Payroll informatie verstrekt over de financiële situatie van Ocean Warrior B.V. en over de pogingen die werden ondernomen om alsnog adequate financiering van de film te realiseren. Naar aanleiding van dat gesprek heeft een medewerker van Ocean Warrior B.V. op briefpapier van Daniel Films B.V. een verklaring opgesteld, die door [gedaagde] is ondertekend. De verklaring is naar Payroll gestuurd en luidde als volgt: "Hierbij verklaar ik, [gedaagde], geboren op [datum] te [geboorteplaats], directeur van Daniel Films B.V., dat Daniel Films B.V. garant staat voor de uitstaande nota's van DC&C Payroll Services aan Ocean Warrior bv." Kort na 20 februari 2001 heeft Ocean Warrior B.V. een bedrag van fl. 90.000,00 aan Payroll betaald. 1.6 Ocean Warrior B.V. is op 25 juni 2001 in staat van faillissement verklaard. De schuldenlast bedraagt, blijkens een faillissementsverslag ongeveer fl. 5.000.000,00. 1.7 Na de betaling van fl. 90.000,00 had Payroll nog fl. 153.158,77 (EUR 69.500,42) van Ocean Warrior B.V. te vorderen. 1.8 In een brief van 29 juli 2004 heeft (de raadsman van) Payroll [gedaagde] aansprakelijk gesteld en aanspraak gemaakt op een bedrag van EUR 69.500,27, vermeerderd met rente en kosten. 1.9 Tot zekerheid van de betaling van haar vordering heeft Payroll, na verkregen verlof, beslag gelegd onder de Postbank. 2 Standpunten van partijen 2.1 Payroll stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar gehandeld heeft door als feitelijk leidinggevende van Daniel Films namens Daniel Films een overeenkomst van borgtocht met Payroll aan te gaan terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat deze vennootschap haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Door dit handelen heeft Payroll, stelt zij, schade geleden die bestaat uit haar niet betaalde vordering op Ocean Warrior B.V., vermeerderd met rente en kosten. 2.2 [gedaagde] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld jegens Payroll. Hij wijst er in dat kader op dat de garantie slechts is gesteld om de angst bij Payroll weg te nemen dat de film in Amerika (door Daniel Films) zou worden afgemaakt en dat de crediteuren van Ocean Warrior B.V. in dat geval het nakijken zouden hebben. Volgens [gedaagde] is aan Payroll duidelijk gemaakt dat Daniel Films de verplichtingen uit de garantie alleen zou kunnen nakomen wanneer de financiering van de film alsnog rond zou komen. [gedaagde] ging er op het moment van het afgeven van de garantie vanuit dat zulks het geval zou zijn. Hij mocht daar, stelt hij, ook vanuit gaan. [gedaagde] voert verder aan dat Payroll na 5 februari 2001 (en derhalve na het afgeven van de garantieverklaring) geen personeel meer heeft ingezet ten behoeve van Ocean Warrior B.V. Ook wijst hij er op dat Daniel Films nimmer door Payroll tot betaling is aangesproken. Tenslotte betwist [gedaagde] dat de garantie ziet op andere verplichtingen (zoals contractuele rente) dan de betaling van de openstaande facturen. 3 Beoordeling van het geschil 3.1 De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vordering van Payroll voorop dat het systeem van het rechtspersonenrecht meebrengt dat slechts onder bijzondere omstandigheden de bestuurder van een rechtspersoon uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens een derde indien de rechtspersoon van wie hij bestuurder is haar verplichtingen jegens die derde niet nakomt. Uit de rechtspraak volgt dat daartoe vereist is dat aan de bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Verder is in de rechtspraak -vgl. HR 6 oktober 1989, NJ 1990/286 (Beklamel)- een specifieke zorgvuldigheidsnorm ontwikkeld. Een bestuurder kan aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad wanneer hij de rechtspersoon een overeenkomst laat sluiten met een derde terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de rechtspersoon niet (tijdig) zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de schade die de derde tengevolge van de wanprestatie lijdt. 3.2 Payroll stelt dat [gedaagde] deze (Beklamel)norm geschonden heeft, waardoor zij schade heeft geleden. De rechtbank zal beoordelen of dat het geval is. Zij zal in dat kader eerst wat dieper ingaan op de betekenis van de Beklamelnorm (zoals die in genoemd arrest van de Hoge Raad is omschreven en in latere rechtspraak van de Hoge Raad is ontwikkeld). 3.3 Een rechtspersoon die een overeenkomst aangaat met een ander wekt door het sluiten van die overeenkomst bij de ander, behoudens bijzondere omstandigheden, de schijn dat zij in staat is haar eigen verplichtingen uit de overeenkomst met die ander na te komen. In de Beklamelnorm wordt, naar het oordeel van de rechtbank, tot uitdrukking gebracht dat het onzorgvuldig is om als bestuurder van een rechtspersoon tegen beter (behoren te) weten in een onterechte schijn van kredietwaardigheid van die rechtspersoon te wekken of in stand te houden, omdat aldus het gevaar in het leven wordt geroepen dat de wederpartij, uitgaande van die onterechte schijn van kredietwaardigheid, onbewust een voor hem risicovolle (schade veroorzakende) transactie aangaat en uitvoert. Het is onzorgvuldig om (bewust) een dergelijk gevaar voor een ander in het leven te roepen of in stand te laten. Wanneer dat gevaar zich realiseert, in die zin dat de wederpartij een overeenkomst aangaat en zijn verplichtingen uit die overeenkomst nakomt maar de tegenprestatie uitblijft, is de bestuurder aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. 3.4 De enkele schending van de Beklamelnorm maakt een bestuurder nog niet schadeplichtig. De wederpartij van de rechtspersoon dient ten gevolge van de schending ook schade te hebben geleden. Daarvan is alleen sprake wanneer de wederpartij tengevolge van het door de bestuurder wekken of instandhouden van een schijn van kredietwaardigheid een overeenkomst is aangegaan en/of (op grond van die overeenkomst) een prestatie heeft geleverd, terwijl dat achterwege zou zijn gebleven wanneer de schijn van kredietwaardigheid niet zou zijn gewekt. De wederpartij dient, al met al, door de schending van de zorgvuldigheidsnorm in een nadeliger situatie te verkeren dan zonder die schending. De norm is er immers op gericht om die nadelige situatie (het sluiten van een overeenkomst met en/of het leveren van een prestatie aan een bij nader inzien niet kredietwaardige rechtspersoon) te voorkomen. 3.5 Wanneer er in het geschil tussen partijen veronderstellenderwijs ([gedaagde] heeft op dit punt immers gemotiveerd verweer gevoerd) van wordt uitgegaan dat [gedaagde] namens Daniel Films een overeenkomst met Payroll is aangegaan, rijst de vraag of Payroll daardoor schade heeft geleden. Bij het antwoord op die vraag dient in het oog gehouden te worden dat de overeenkomst tussen Payroll en Daniel Films pas op 20 februari 2001 tot stand is gekomen. Payroll had op dat moment al een fors bedrag te vorderen van Ocean Warrior B.V. in verband met tot 5 februari 2001 verrichte diensten, waarvan na een (latere) betaling van fl. 90.000,00 nog fl. 153.158,77 openstond (het bedrag dat nu de basis vormt van de vordering van Payroll). Gesteld noch gebleken is dat Payroll na 20 februari 2001 diensten voor Ocean Warrior B.V. of voor Daniel Films heeft verricht. Evenmin is gesteld of gebleken dat de vordering van Payroll op Ocean Warrior B.V. na 20 februari 2001 -afgezien van de rentevordering, die echter een substraat is van de hoofdsom- toegenomen is. In dat licht bezien is dan ook niet aannemelijk geworden dat Payroll als gevolg van het (eventueel) schenden van de Beklamelnorm door [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst tussen Payroll en Daniel Films in een nadeliger positie is komen te verkeren. Daniel Films had kort voor het sluiten van die overeenkomst een (niet te verhalen) vordering op Ocean Warrior B.V. en na het sluiten van de overeenkomst had zij die vordering nog steeds. Dat Payroll, anders dan zij op grond van de overeenkomst met Daniel Films mocht veronderstellen, haar vordering ook niet op Daniel Films kon verhalen, leidt niet tot een ander oordeel. Van schade vanwege schending van de Beklamelnorm is, zoals hiervoor is overwogen, slechts sprake wanneer de wederpartij van de rechtspersoon door de gewekte (onterechte) schijn van kredietwaardigheid in een nadeliger positie is komen te verkeren dan wanneer de schijn niet gewekt was. 3.6 Payroll heeft nog gesteld dat zij na het sluiten van de overeenkomst met Daniel Films heeft afgezien van verdere incassomaatregelen. Wanneer zij betaling van haar facturen in rechte zou opeisen, zou "de crew" het geloof in de productie verliezen en gaan "uitzwermen". Om dat te voorkomen zou [gedaagde] Daniel Films de garantie hebben laten afgeven. Wat daar ook van zij, Payroll heeft niet gesteld dat zij schade heeft geleden doordat zij na 20 februari 2001 geen verdergaande incassomaatregelen heeft getroffen. Het ligt ook niet voor de hand dat Payroll daardoor schade heeft geleden. De productie van de film door Ocean Warrior B.V. was op 20 februari 2001 al gestaakt en is niet meer hervat, Ocean Warrior B.V. had een zeer forse schuldenlast (fl. 5.000.000,00) en is relatief korte tijd na 20 februari 2001, op 23 juni 2001, failliet verklaard. Het is dan ook uiterst onwaarschijnlijk dat door Payroll te entameren incassomaatregelen ertoe zouden hebben geleid dat Payroll meer zou hebben ontvangen dan het nu na het sluiten van de overeenkomst met Daniel Films door haar ontvangen bedrag van fl. 90.000,00. 3.7 Het feit dat vanwege het afzien van incassomaatregelen "de crew niet is uitgezwermd" kan evenmin de conclusie dragen dat Payroll schade heeft geleden. Gesteld noch gebleken is dat Payroll daardoor kosten heeft gehad die zij anders niet gehad zou hebben. Een en ander zou anders zijn wanneer de productie van de film hervat zou zijn en Ocean Warrior B.V. opnieuw medewerkers via Payroll zou hebben ingehuurd zonder de daarmee gemoeide kosten te voldoen. In dat geval zou wel aannemelijk zijn geweest dat (alleen) ten gevolge van de gewekte schijn van kredietwaardigheid van Daniel Films door Payroll opnieuw medewerkers aan Ocean Warrior B.V. beschikbaar waren gesteld, waardoor Payroll in een nadeliger positie is komen te verkeren. 3.8 De slotsom is dat Payroll haar stelling, dat zij door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden, onvoldoende heeft onderbouwd. De stellingen van Payroll kunnen haar vordering dan ook niet dragen. De vordering is derhalve niet toewijsbaar. 3.9 Gelet op hetgeen is overwogen, kan in het midden blijven of [gedaagde] daadwerkelijk onzorgvuldig heeft gehandeld bij het sluiten van de overeenkomst tussen Payroll en Daniel Films. 3.10 Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Payroll veroordeeld in de proceskosten. BESLISSING De rechtbank wijst de vordering af. Payroll wordt veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van [gedaagde] gevallen, bepaald op EUR 3.930,00. Deze proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 21 september 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.