Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AU6547

Datum uitspraak2005-11-21
Datum gepubliceerd2005-11-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers07/993099-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

bewijs opzettelijke schending geheim; burgemeester


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Meervoudige strafkamer te Zwolle Parketnummer: 07/993099-05 Uitspraak: 21 november 2005 S T R A F V O N N I S in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum- en plaats], wonende te [adres en woonplaats]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2005. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Borstlap, advocaat te Zwolle. De officier van justitie, mr. J. de Boer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot: - een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar; - een geldboete van € 2.000,--. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 20 april 2005 en/of 22 april 2005 te Urk, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een geheim, te weten informatie die hem uit hoofde van zijn ambt als burgemeester van Urk in vertrouwen kenbaar was gemaakt, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was het te bewaren, - inhoudende de verdenking van het plegen van valsheid in geschrifte met/op facturen en/of faxen, begaan door de Visafslag Urk en/of een voor 22 april 2005 op handen zijnde onderzoek van kotters in Den Helder heeft geschonden, immers heeft hij - op 20 april 2005 (een deel van) voornoemde informatie, namelijk de verdenkingen van het plegen van valsheid in geschrifte met/op facturen en/of faxen, begaan door de Visafslag Urk - en/of - op 22 april 2005 (een deel van) voornoemde informatie, namelijk een voor 22 april 2005 nog op handen zijnde onderzoek van kotters in Den Helder medegedeeld aan de directeur van de Visafslag Urk, [naam]. De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad. BEWIJS Met betrekking tot het bewijs van hetgeen ten laste is gelegd, overweegt de rechtbank het navolgende: Om in de onderhavige strafzaak tot het bewijs te komen van hetgeen ten laste is gelegd dient een drietal nauw met elkaar verband houdende ten laste gelegde delictsbestanddelen wettig en overtuigend te worden bewezen verklaard. Allereerst betreft het de vraag of de informatie die verdachte van de fungerend hoofdofficier van justitie heeft verkregen gekwalificeerd moet worden als ‘geheim’ in de zin van de onderhavige strafbaarstelling. Vervolgens -bij een bevestigende beantwoording van de eerste vraag- dient de bewijsvraag te worden beantwoord of dit geheim door verdachte is geschonden. Als deze vraag naar het oordeel van de rechtbank ook leidt tot een bevestigende beantwoording, luidt de slotvraag of deze schending van de geheimhoudingsplicht door verdachte opzettelijk heeft plaatsgevonden. Uit de stukken van het strafdossier blijkt dat op dinsdag 19 april 2005 in de loop van de middag verdachte is opgebeld door de fungerend hoofdofficier van justitie van de politieregio Flevoland, mr. Greive. Deze stelde verdachte op de hoogte van een tegen de Visafslag Urk lopend onderzoek, een in dat kader voorgenomen doorzoeking van onder andere de visafslag, die de volgende ochtend zou plaatsvinden, en van doorzoekingen op Urker kotters in Den Helder aan het einde van die week. Behoudens het gedeelte met betrekking tot de doorzoekingen in Den Helder krijgt verdachte deze informatie nog eens bevestigd nadat hij diezelfde avond contact opneemt met het hoofd van de afdeling Opsporing en Vervolging van het Functioneel Parket, mr. Van Leest, onder wiens eindverantwoordelijkheid het opsporingsonderzoek plaatsvindt en wiens telefoonnummer door bovengenoemde fungerend hoofdofficier van justitie aan verdachte ter beschikking is gesteld. Voor de vraag of de aan verdachte verstrekte informatie als geheim dient te gelden in de zin van de in het geding zijnde strafbaarstelling acht de rechtbank beslissend de hoedanigheid van de informatieverstrekker, de aard van de verstrekte informatie, het moment van informatieverstrekking en de hoedanigheid waarin verdachte de informatie is verstrekt. Toegespitst op de onderhavige strafzaak is de rechtbank van oordeel dat de aan de verdachte verstrekte informatie niet anders dan in zijn hoedanigheid van burgemeester kan worden geacht te zijn toevertrouwd. Immers, in de onderhavige zaak is door een functionaris van het Openbaar Ministerie aan verdachte informatie verstrekt die betrekking heeft op een lopend opsporingsonderzoek naar mogelijke betrokkenheid van de Visafslag Urk bij frauduleuze feiten. In dit kader is verdachte in vertrouwen genomen over de voorgenomen toepassing van een verstrekkende strafvorderlijke bevoegdheid, te weten voorgenomen doorzoekingen, waarvan de eerste reeds de volgende ochtend zou plaatsvinden. Blijkens de in het strafdossier opgenomen verklaring van voornoemde fungerend hoofdofficier van justitie heeft hij de vertrouwelijkheid van de door hem verstrekte informatie bij verdachte benadrukt. Dat voor verdachte naar het oordeel van de rechtbank de vertrouwelijkheid ook kenbaar was, blijkt uit de transcriptie van het in het kader van het fraudeonderzoek afgeluisterde gesprek van 22 april 2005. In dit gesprek zegt verdachte tegen de directeur van de Visafslag Urk dat hij vertrouwelijke informatie heeft die de ene officier van justitie aan de andere geschreven heeft. In het licht hiervan is naar het oordeel van de rechtbank het vertrouwelijk karakter van meergenoemde informatie evident en diende deze informatie te gelden als een geheim in de zin van de wet, welk geheim door verdachte, die daarvan uit hoofde van zijn ambt op de hoogte was, bewaard diende te worden. Wat de gestelde schending van de op verdachte rustende geheimhoudingsplicht betreft acht de rechtbank het aangewezen een onderscheid aan te brengen tussen de informatie betreffende de aard van de verdenking zoals aan de orde komt in een tussen de verdachte en de directeur van de Visafslag Urk gevoerd en afgeluisterd telefoongesprek op 20 april 2005 èn de informatie betreffende voorgenomen doorzoekingen op een aantal kotters nadat deze zouden zijn aangeland te Den Helder, zoals verdachte verwoordt in het op 22 april 2005 gevoerde en afgeluisterde gesprek met eerder genoemde directeur. Wat betreft de verschafte informatie over de aard van de verdenking zoals in de tenlastelegging achter het tweede gedachtenstreepje is verwoord, is de rechtbank van oordeel dat daarvan niet gezegd kan worden dat op het moment dat de verdachte hiervan rept de desbetreffende informatie nog als geheim kan worden geclassificeerd. Immers, de doorzoeking op de Visafslag Urk was afgerond en uit de weergave van het gesprek blijkt dat de directeur op dat moment ook al bekend was met de aard van de gerezen verdenking. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank dit specifieke onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard en spreekt zij verdachte daarvan vrij. Dit gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op ten aanzien van de door verdachte verschafte informatie over voorgenomen doorzoekingen, zoals in de tenlastelegging na het vierde gedachtenstreepje is verwoord. Hetgeen hij daaromtrent in het gelaakte telefoongesprek heeft gezegd bevatte gegevens die op dat moment nog gerekend moesten worden tot hem ambtshalve toevertrouwde geheimen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit specifieke onderdeel van de tenlastelegging wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Met dit oordeel verwerpt de rechtbank de stelling van de raadsman van verdachte dat een geheim in de zin van de onderhavige strafbaarstelling alleen geacht kan zijn te zijn geschonden indien het geheim inhoudelijk ook als zodanig is overgekomen bij -en derhalve begrepen door- degene aan wie het in strijd met de geheimhoudingsplicht wordt doorgespeeld. In het onderhavige geval kan -aldus de raadsman- niet worden gesteld dat de directeur van de visafslag de kern van de boodschap heeft begrepen. De stelling van de raadsman vindt geen steun in de bewoordingen van de delictsomschrijving, noch in de wetsgeschiedenis dan wel de rechtspraak. Het in de strafbaarstelling beschermde rechtsbelang betreft naar de heersende leer de bescherming van geheimen. Het zich als ambtsdrager niet houden aan de uit de opgelegde geheimhoudingsplicht voortvloeiende plicht tot zwijgen, levert naar het oordeel van de rechtbank op een schending in de zin van de wet. Met betrekking tot het ten laste gelegde opzet overweegt de rechtbank het navolgende: Naar het oordeel van de rechtbank is het verdachte, mede gezien zijn functie van burgemeester, reeds op grond van de aard van de toevertrouwde informatie, het moment waarop -en de hoedanigheid waarin- verdachte dit ter beschikking kreeg als op grond van de hoedanigheid van degene die de informatie verstrekte alsmede verdachte’s eigen verklaring daaromtrent, duidelijk geweest dat hij deze niet eigenmachtig met derden moest, mocht noch kon delen. Uit de bewijsmiddelen -meer in het bijzonder uit de transcripties van de afgeluisterde telefoongesprekken- blijkt dat verdachte zijn gesprekspartner niet alleen verzoekt om vertrouwelijkheid maar ook bij het eerste op 20 april 2005 weergegeven telefoongesprek aangeeft een ‘zwijgverbod’ (hetgeen de rechtbank leest als ‘zwijgplicht’ dan wel ‘spreekverbod’) opgelegd te hebben gekregen en te zijn ‘geïnformeerd als burgemeester’. Op grond van deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte wist of in ieder geval redelijkerwijs had behoren te weten dat hij de informatie over de voorgenomen doorzoekingen van de in Den Helder aan te landen Urker kotters als geheim had te bewaren en dat hij door het aan de directeur van de Visafslag Urk vertellen van deze informatie opzettelijk zijn plicht tot geheimhouding van deze vertrouwelijke informatie heeft geschonden. De rechtbank twijfelt niet aan de oprechtheid van verdachte als hij stelt dat hij niet de bedoeling heeft gehad een geheim te schenden noch dat hij zich bewust is geweest van het strafbare karakter van zijn handelen. Deze omstandigheden laten evenwel onverlet de bewijsbaarheid van hetgeen is ten laste gelegd nu ‘oogmerk’ en ‘boos opzet’ geen onderdeel uitmaken van de delictsomschrijving. Ook de wetgevingsgeschiedenis en rechtspraak bieden geen aanknopingspunten voor een andere -de reikwijdte van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht beperkende- rechtsopvatting. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat: hij op 22 april 2005, te Urk opzettelijk een geheim, te weten informatie, die hem uit hoofde van zijn ambt als burgemeester van Urk in vertrouwen kenbaar was gemaakt, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was het te bewaren, inhoudende een voor 22 april 2005 op handen zijnd onderzoek van kotters in Den Helder, heeft geschonden, immers heeft hij op 22 april 2005 een voor 22 april 2005 nog op handen zijnd onderzoek van kotters in Den Helder medegedeeld aan de directeur van de Visafslag Urk, [naam]. Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. STRAFBAARHEID Het bewezene levert op: Enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, strafbaar gesteld bij artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten. OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. De rechtbank kan er vanuit menselijk oogpunt begrip voor opbrengen dat verdachte zich grote zorgen maakte omtrent de reputatie van de Visafslag Urk, gezien de rol die deze organisatie binnen de bevolking van Urk van oudsher vervult. Eveneens bestaat bij de rechtbank begrip voor de omstandigheid dat deze zorgen des te zwaarder op de schouders van verdachte rustten vanwege zijn positie als onafhankelijk voorzitter van het bestuur van de Beheerscoöperatie Visafslag Urk U.A. Maar het inlevingsvermogen van de rechtbank eindigt op het moment dat verdachte zich heeft laten meeslepen in -zoals hij dit zelf noemt- "zijn zoektocht naar de waarheid", in welke zoektocht hij naar het oordeel van de rechtbank zijn bijzondere functie van door de Kroon benoemd ambtsdrager onvoldoende voor ogen heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, die zich kennelijk gedwongen zag te kiezen tussen zijn onmiskenbare loyaliteit ten opzichte van de Urker bevolking en zijn uit zijn ambt voortvloeiende verplichting vertrouwelijke informatie geheim te houden, de verkeerde keuze gemaakt. De rechtbank is zich ervan bewust dat het recht in het onderhavige geval voor verdachte hard aankomt. De rechtbank laat als strafmatigende omstandigheid meewegen dat deze strafzaak vanwege de functie die verdachte bekleedt enorme gevolgen heeft voor zowel verdachte als zijn gezin. Juist vanwege zijn publieke functie is een onvermijdelijk gevolg van de onderhavige strafzaak dat verdachte met naam en toenaam is genoemd in de media. De rechtbank heeft voorts ten voordele van verdachte ook nog rekening gehouden met de omstandigheid dat de schending van het ambtsgeheim door verdachte, voor zover thans bekend bij het openbaar ministerie, niet heeft geleid tot enige schade voor de betreffende strafrechtelijke onderzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank wegen voornoemde omstandigheden echter niet op tegen de mate van ernst van de gepleegde rechtsschending door verdachte, zodat de rechtbank alles afwegende in dit geval een onvoorwaardelijke geldboete noodzakelijk acht. Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met: - een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 20 oktober 2005 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst; De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar. Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen. Aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mrs. H.R. Schimmel en C.W. van Kooten, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2005.