Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AU7067

Datum uitspraak2005-11-29
Datum gepubliceerd2005-11-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/630024-05 en 10/632785-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Groepsverkrachting (door minderjarigen). Seksueel misbruik van minderjarige meisjes. Bewijsoverwegingen over de betrouwbaarheid van de aangiften, (on-)vrijwilligheid slachtoffers, ontucht of seks tussen jongeren. Toepassing volwassenenstrafrecht. Maatregel TBS met voorwaarden en gevangenisstraf.


Uitspraak

Parketnummers van de berechte zaken: 10/630024-05 (minderjarig) 10/630024-05 (meerderjarig) 10/632785-05 (meerderjarig) Datum uitspraak: 29 november 2005 Tegenspraak VONNIS van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres], ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in […]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek, deels met gesloten deuren, op de terechtzitting van 15 november 2005. Gezien het belang van verdachte bij gelijktijdige berechting van alle ten laste gelegde feiten zoals vermeld op de dagvaarding van verdachte als minderjarige (parketnummer 10/630024-05) en op de dagvaardingen van verdachte als meerderjarige (parketnummers 10/630024-05 en 10/632785-05) en de omstandigheid dat deze feiten in de onderscheiden dagvaardingen telkens zodanig nauw met elkaar samenhangen dat zij zich tot splitsing daarvan in een gedeelte voor en een gedeelte na het bereiken van de leeftijd van 18 jaren begaan niet lenen, brengt een doelmatige rechtspleging met zich mee dat de rechtbank alle voormelde feiten gelijktijdig behandelt en in één vonnis opneemt, alsmede in dit vonnis uitspraak doet en een beslissing neemt omtrent de strafoplegging terzake al deze voormelde feiten. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaardingen onder parketnummers 10/630024-05 (minderjarig), zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd, 10/630024-05 (meerderjarig) en 10/632785-05 (meerderjarig). Van deze dagvaardingen en vordering zijn kopieën aan dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A tot en met 1M). DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Pols heeft gerequireerd - zakelijk weergegeven - tot: - de niet-ontvankelijkheid van het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig) onder 6 ten laste gelegde, gelet op de nieuw uitgebrachte dagvaarding met parketnummer 10/632785-05; - de vrijspraak van het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (meerderjarig) onder 5 primair ten laste gelegde; - de bewezenverklaring van het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig) onder 1, 2, 7 en 8 ten laste gelegde, het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (meerderjarig) onder 3 primair, 4 primair en 5 subsidiair en het op de dagvaarding met parketnummer 10/632785-05 ten laste gelegde; - toepassing van het sanctierecht voor volwassenen ten aanzien van de feiten op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig) gelet op het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht; - een gecombineerde eis met betrekking tot de feiten die verdachte als minderjarige heeft gepleegd en de feiten die verdachte als meerderjarige heeft gepleegd, inhoudende de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. NIET BEWEZEN Het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig) onder 6 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd (zaak M. meerdere jongens, periode 1 juni 2004 tot 10 september 2004). Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank terzake van dit feit tot een vrijspraak gelet op het bepaalde in artikel 68 Wetboek van Strafrecht. Het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (meerderjarig) onder 5 primair (zaak M.) is eveneens niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. BEWEZEN De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig) onder 1 (zaak W. 1), 2 (zaak W. 2), 7 (zaak Sh.) en 8 (zaak T.), het op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (meerderjarig) onder 3 primair (zaak S. 1), 4 primair (zaak S. 2) en 5 subsidiair (zaak M.) en het op de dagvaarding met parketnummer 10/632785-05 (zaak M. meerdere jongens) ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd 2A tot en met 2J), die van dit vonnis deel uitmaakt. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. BEWIJS De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen. BEWIJSOVERWEGINGEN De betrouwbaarheid van de aangiften. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters, zoals deze zijn afgelegd bij de politie, onder druk tot stand zouden zijn gekomen waardoor deze verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij overweegt daartoe het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de politie bij de totstandkoming van sommige aangiften mogelijk zorgvuldiger te werk had kunnen gaan dan hier het geval was, gelet op de Aanwijzing bejegening slachtoffers van zedendelicten (voorheen genaamd de richtlijnen De Beaufort), echter dit raakt niet de betrouwbaarheid van de inhoud van de aangiften. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verklaringen van aangeefsters bij de rechter-commissaris waarin zij bij de inhoud van hun eerdere, bij de politie afgelegde, verklaringen zijn gebleven, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat deze verklaringen niet onder druk zijn afgelegd. Indien en voor zover een of meer aangeefster(s) bij de politie onder druk zou(den) zijn gezet, is dit in het algemeen belang van de waarheidsvinding gebeurd. Daarbij komt dat met de Aanwijzing bejegening slachtoffers van zedendelicten, waarnaar de raadsman verwijst, in de eerste plaats wordt beoogd de positie van de slachtoffers van zedendelicten te verstevigen. In de Aanwijzing zijn geen eisen geformuleerd waaraan een verhoor van slachtoffers van zedendelicten dient te voldoen, waardoor verklaringen van deze slachtoffers voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De zaak M. meerdere jongens (parketnummer 632785-05). De raadsman heeft namens verdachte betoogd dat er geen sprake is geweest van een groepsverkrachting van M. (zaak M. meerdere jongens), omdat zij vrijwillig seks zou hebben gehad met verdachte en zijn medeverdachten. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte en zijn drie medeverdachten in verdachtes woning aan de [adres], in diens slaapkamer, kort na elkaar, seksuele gemeenschap hebben gehad met M.. Nu een (concrete) aangifte en/of verklaring van M. omtrent deze gebeurtenissen in het dossier ontbreekt, en de gebeurtenissen in een videoverhoor zelfs door M. worden ontkend, kan de vraag of deze seks met instemming van M. heeft plaatsgevonden slechts worden beantwoord op basis van hetgeen verdachte en zijn medeverdachten hierover hebben verklaard. Op grond van deze verklaringen is niet uit te sluiten dat M. met één van de vier verdachten naar de slaapkamer van verdachte is gegaan en aldaar op vrijwillige basis gemeenschap heeft gehad. Zelfs valt niet uit te sluiten dat hierna mogelijk een tweede seksueel contact met één van de vier verdachten met instemming van M. is aangevangen. Hoe het ook zij, op enig moment tijdens het eerste óf het tweede seksuele contact zijn alle vier de verdachten in de slaapkamer van verdachte aanwezig en heeft M. aangegeven dat een en ander pijn deed. Dan zou de verdachte tegen M. hebben gezegd: “Het doet geen pijn, het doet geen pijn, je gaat nu pas pijn voelen, want ik ga beginnen”. Nadat M. nogmaals zou hebben gezegd: “Het doet pijn, ik vind het genoeg, ik wil niet meer” en haar handen voor haar vagina zou hebben gehouden, zou verdachte de daad bij het woord hebben gevoegd. Hij zou M. op bed hebben geduwd en haar benen, die zij stijf tegen elkaar hield, uiteen hebben getrokken, waarna verdachte zijn penis in de vagina van M. zou hebben geduwd. Daarop zou M. hebben geschreeuwd: “Het doet pijn, het doet pijn, het doet pijn”. Ondanks dat het naar het oordeel van de rechtbank voor een ieder die van het voorgaande getuige is geweest volstrekt en onmiskenbaar duidelijk moet zijn geweest dat M. op dat moment door geweld en onder bedreiging van geweld tegen haar wil seks heeft moeten ondergaan, hebben twee medeverdachten hierna ook nog seks met M. gehad. Het behoeft geen betoog dat ook deze seksuele contacten na vooromschreven gang van zaken nimmer met instemming van M., maar onder de ontstane druk en dwang, hebben plaatsgevonden, waaruit volgt dat verdachte samen met anderen M. meermalen heeft verkracht. De zaak W. 1 (parketnummer 10/630024-05 minderjarig) en de zaken S. 1 en S. 2 (beiden parketnummer 10/630024-05 meerderjarig). Ook met betrekking tot de zaak W. 1 en de zaken S. 1 en S. 2 heeft de raadsman namens verdachte betoogd dat sprake zou zijn geweest van vrijwillige seks. De rechtbank overweegt hieromtrent dat er naast de aangiften en de bevestiging van de inhoud van die aangiften door de verklaringen van aangeefsters bij de rechter-commissaris zich ook nog genoeg ander steunbewijs in het dossier bevindt, waaruit blijkt dat de feiten tegen de wil van de slachtoffers gebeurden. De zaak Sh. (parketnummer 10/630024-05 minderjarig). De raadsman heeft voorts aangevoerd dat met betrekking tot feit 7 (zaak Sh.) geen sprake is van ontucht, maar van seks tussen jongeren. De strafbaarheid van ontuchtige handelingen wordt in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht - voor zover hier van belang - bepaald door de leeftijd van de minderjarige en niet door de subjectieve beleving van de betrokkene(n). Onder omstandigheden kan seks met iemand beneden de 16 jaar niet strafbaar zijn, bijvoorbeeld bij min of meer gelijke leeftijd van betrokkenen. Verdachte was ten tijde van het feit bijna 18 jaar en aangeefster 14 jaar. Dat is op zichzelf al een significant leeftijdsverschil. Daarnaast heeft verdachte zelf verklaard dat hij aangeefster heeft overgehaald zich door hem te laten ontmaagden. In de omstandigheden van dit geval moeten de handelingen van verdachte derhalve als ontuchtige handelingen worden beschouwd. Immers de door artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht beoogde bescherming van minderjarigen is mede daarop gebaseerd, dat zodanige minderjarigen voor wat betreft relaties als de onderhavige in het algemeen niet of onvoldoende in staat zijn om de draagwijdte van hun handelen te overzien en hun wil dienaangaande in vrijheid te bepalen en dat zij in zoverre tegen een ongewenste beïnvloeding van hun wil moeten worden beschermd. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer. De zaak M. (parketnummer 10/630024-05 meerderjarig) De raadsman heeft hetzelfde aangevoerd met betrekking tot feit 5 subsidiair. Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank dit verweer eveneens, nu het leeftijdsverschil tussen verdachte (toen 18 jaar) en het slachtoffer (12 jaar) zelfs nog groter is. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN De bewezen feiten leveren op: op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig) onder: 1 medeplegen van verkrachting; 2 medeplegen van verkrachting; 7 met iemand die de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; 8 verkrachting; op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (meerderjarig) onder: 3 primair: verkrachting; 4 primair: verkrachting; 5 subsidiair: met iemand die de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; op de dagvaarding met parketnummer 10/632785-05 (meerderjarig): medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar. MOTIVERING VAN DE STRAF EN MAATREGEL De rechtbank is van oordeel dat, met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig), gelet op artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht buiten toepassing dienen te worden gelaten en dat recht gedaan moet worden overeenkomstig de bepalingen die gelden voor degenen die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt. Kort samengevat: de rechtbank is van oordeel dat het sanctierecht voor volwassenen dient te worden toegepast. De rechtbank vindt daartoe grond in de ernst van de begane feiten, de persoonlijkheid van verdachte zoals blijkt uit de deskundigenrapportages en zijn optreden ter terechtzitting, alsmede de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere verkrachtingen van en ontucht met minderjarige meisjes. Hij lokte de meisjes mee naar zijn slaapkamer en dwong ze daar om seksuele handelingen te ondergaan. Verdachte heeft daar geweld bij gebruikt. Een aantal keren heeft verdachte een slachtoffer met behulp van een medeverdachte verkracht. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het met een groep meerdere keren verkrachten van een twaalfjarig meisje. Hiermee heeft verdachte zijn lustgevoelens gesteld boven het belang van de slachtoffers en heeft zich daarbij volstrekt niet bekommerd om hun gevoelens. Met dit handelen heeft verdachte (samen met zijn vrienden) op buitengewoon brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het moet voor hen, met name voor het slachtoffer van de groepsverkrachting, een vernederende, kwetsende en beangstigende ervaring zijn geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers, zeker zeer jeugdige, van dit soort feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijke feiten in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch rapport over verdachte, d.d. 16 september 2005, opgemaakt door mw. drs. L.A. Vink, psychiater, en het psychologisch rapport over verdachte, d.d. 16 september 2005, opgemaakt door mw. drs. Koornstra, psycholoog. Beide deskundigen zijn als getuige ter terechtzitting gehoord en hebben hun rapport nog verder toegelicht. De psychiater mw. Vink concludeert dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een gedragsstoornis die de uiting is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline kenmerken. Volgens de psycholoog, mw. Koornstra, is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling, waardoor zijn persoonlijkheid zich kenmerkt door met name narcistische, maar ook anti-sociale trekken. Beide deskundigen zijn van oordeel dat het verdachte ontbreekt aan empathie, hetgeen inhoudt dat hij niet in staat is emoties bij een ander waar te nemen, omdat hij slechts bezig is met zijn eigen beleving. Dat hij hierbij makkelijk over grenzen van anderen heen kan gaan, is inherent aan deze problematiek. Verdachte handelde, weliswaar vanuit zijn beperkingen, niet impulsief, maar weloverwogen. Beide deskundigen adviseren om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Verdachte ontdekte seks als een manier om contact te hebben en macht over anderen uit te kunnen oefenen. De agressieve en schadelijke aspecten van zijn seksuele gedrag worden door hem ontkend. Van belang voor de kans op recidive is de ontkenning van de problematiek. Ingrijpen kan slechts geacht worden bij te dragen aan het versterken van de randvoorwaarden die ertoe kunnen bijdragen dat recidive voorkomen wordt. Omdat het hem, vanuit zijn pathologie, ontbreekt aan belangrijke basisvaardigheden wordt door de deskundigen geadviseerd een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met als bijzonder voorwaarden een verplicht reclasseringscontact en participatie in een van de dadergroepstherapieën van Het Dok, de forensische polikliniek verbonden aan de TBS Kliniek De Kijvelanden. De psychiater, mw. Vink, heeft in dit verband nog aangegeven dat overwogen kan worden een voorwaardelijke terbeschikkingstelling op te leggen met genoemde voorwaarden, om er zeker van te zijn dat verdachte zich aan de geadviseerde begeleiding en behandeling zal houden. Tot slot adviseren beide deskundigen het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, aangezien de persoonlijkheid van verdachte imponeert als redelijk uitgekristalliseerd en moeilijk te beïnvloeden. De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid, de recidivekans en, zoals hiervoor reeds vermeld, het meerderjarigenstrafrecht over. De rechtbank heeft verder acht geslagen op een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, d.d. 16 september 2005 opgemaakt door mw. D. Dam. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard deel te nemen aan de dadertherapie bij het Dok en zich te houden aan de aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 17 maart 2005 niet eerder is veroordeeld. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, rechtvaardigen de ernst en de hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank ziet echter aanleiding, gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn blanco strafblad, om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan de voorwaarde gekoppeld dat de verdachte de noodzakelijke behandeling zal ondergaan. Gelet op de ernst en de hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten enerzijds en de noodzaak van de behandeling van verdachte in combinatie met de beperking van het strafmaximum dat geldt voor het nog kunnen opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van TBS met voorwaarden eist. Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straf en maatregel passend en geboden. DE VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ De zaken M. Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [M.] , domicilie kiezende op het adres […], terzake van feit 5 op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 en het feit op de dagvaarding met parketnummer 10/632785-05. De benadeelde partij vordert, bij wijze van voorschot, een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 9100,-. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen. Voor wat betreft de eventuele hoogte van het toewijsbare bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 5 op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 en het op de dagvaarding met parketnummer 10/632785-05 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt de schade op dit moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en gelet op algemene ervaringsregels thans vast op € 1500,-, zodat dit bedrag, als voorschot, zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu dit gedeelte van de vordering niet van zo eenvoudige aard is, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in het strafgeding. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de vordering van de benadeelde partij voor een belangrijk deel wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. De zaken S. Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [S.] , wonende te […], terzake van de feiten 3 en 4 op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05. De benadeelde partij vordert, bij wijze van voorschot, een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 4919,-. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen. Voor wat betreft de eventuele hoogte van het toewijsbare bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder feit 3 en 4 op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt de schade op dit moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en gelet op algemene ervaringsregels thans vast op € 1500,-, zodat dit bedrag, als voorschot, zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu dit gedeelte van de vordering niet van zo eenvoudige aard is, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in het strafgeding. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de vordering van de benadeelde partij voor een belangrijk deel wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 38, 38a, 47, 57, 77b, 242 en 245 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING - verklaart niet bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (minderjarig) onder 6 en op de dagvaarding met parketnummer 10/630024-05 (meerderjarig) onder 5 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; - verklaart bewezen, dat de verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; - stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; - verklaart de verdachte terzake van de feiten strafbaar; - past toe het sanctierecht voor volwassenen, gelet op het bepaalde in artikel 77b Wetboek van Strafrecht, terzake de feiten waarvoor verdachte als minderjarige is gedagvaard (parketnummer 10/630024-05 (minderjarig))en legt terzake alle hiervoor bewezen verklaarde feiten één straf en maatregel op; - veroordeelt de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) jaren; - beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; - gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld; - stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde: dat de terbeschikkinggestelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Reclassering Nederland, alsmede dat de terbeschikkinggestelde zich onder behandeling zal stellen van Het Dok, forensische polikliniek verbonden aan TBS-kliniek De Kijvelanden, en zich zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften van deze instelling, zolang de reclassering en deze instelling dit noodzakelijk vinden; - geeft aan Reclassering Nederland en Het Dok opdracht de ter beschikking gestelde bij de naleving van deze voorwaarden hulp en steun te verlenen; Ten aanzien van de zaken M.: - wijst de vordering van de benadeelde partij [M.] bij wijze van voorschot toe tot een bedrag van € 1500,- en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [M.], domicilie kiezende te […], te betalen € 1500,- (zegge vijftienhonderd euro); - verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; - veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1500,- (zegge vijftienhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft; - bepaalt daarbij dat, indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de staat ten behoeve van voormelde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen vervalt, en bepaalt tevens dat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat vervalt; Ten aanzien van de zaken S.: - wijst de vordering van de benadeelde partij [S.] bij wijze van voorschot toe tot een bedrag van € 1500,- en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [S.], wonende te […], te betalen € 1500,- (zegge vijftienhonderd euro); - verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; - veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1500,- (zegge vijftienhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft; - bepaalt daarbij dat, indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de staat ten behoeve van voormelde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen vervalt, en bepaalt tevens dat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat vervalt. Dit vonnis is gewezen door: mr. Rutten, voorzitter, en mrs. Poiesz en Van Reekum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gijzen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 november 2005.