Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AU9029

Datum uitspraak2006-01-03
Datum gepubliceerd2006-01-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers07.400643-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

artikel 141 en 137c Sr. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras.


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Meervoudige strafkamer te Zwolle Parketnummer: 07.400643-05 Uitspraak: 3 januari 2006 S T R A F V O N N I S in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum en -plaats], wonende te [woonplaats], thans verblijvende [verblijfplaats]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2005. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Spoor, advocaat te Steenwijk. De officier van justitie, mr. L.N. Stempher, heeft ter terechtzitting gevorderd: - de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; - de hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], met oplegging van de schademaatregel. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging). BEWIJS De verdachte dient van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: 1 subsidiair. hij op 03 september 2005 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, met anderen, op of aan de openbare wegen, Julianastraat, de Wisseling, de Nieuwe Wijk, de Havikstraat en de Sperwerweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde[slachtoffer], welk geweld bestond uit: - het opjagen, althans het hard achterna rennen en insluiten van die [slachtoffer] en - het omver duwen van die [slachtoffer] en - het krachtig met gebalde vuist tegen het gezicht van die [slachtoffer] stompen en - het met stenen en bierflesjes naar en in de richting van die [slachtoffer] gooien en - het met een aansteker, althans een hard voorwerp, krachtig tegen het hoofd van die [slachtoffer] gooien en - het krachtig tegen de rechterenkel van die [slachtoffer] trappen en - het krachtig met geschoeide voeten schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer]; 2. hij op 03 september 2005 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg tezamen en in vereniging met anderen, zich in het openbaar, op de openbare weg, Julianastraat (nabij café Habana) en op meerdere openbare wegen te weten; Wisseling, Nieuwewijk, Havikstraat en de Sperwerweg, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen van Portugese afkomst, wegens hun huidskleur, ras en afkomst, door opzettelijk beledigend een persoon, te weten [benadeelde[slachtoffer], op te jagen en achterna te rennen en daarbij te roepen en te schreeuwen naar die [benadeelde[slachtoffer]; "vuile Portugees, donder op naar je eigen land" en "vieze kanker Portugees" en "vuile zwarte, klootzak, vuile kankerlijer" en "vuile kut buitenlander" en "kut Portugees, rot op naar je eigen land", althans woorden en/of uitlatingen van soortgelijke beledigende aard en/of strekking. Van het onder 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. STRAFBAARHEID Het bewezene levert op: 1 subsidiair. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. 2. in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, strafbaar gesteld bij artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten. OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met: - een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 14 september 2005 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst; - een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 9 december 2005 uitgebracht door mevrouw P.M.G. te Brömmelstroet, reclasseringswerker bij de Reclassering Nederland, Unit Zutphen. De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht. Benadeelde partij Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de schade is door de overgelegde bescheiden en door de benadeelde partij ter terechtzitting gegeven toelichting gestaafd en is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken door de verdachte. De hoogte van die schade is derhalve genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 2513,66, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil. De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar. De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank zal voorts terzake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 2513,66 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]. BESLISSING Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar. Het onder 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht. Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot zes maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres], van een bedrag van € 2513,66 (zegge: tweeduizend vijfhonderd dertien euro en zesenzestig cent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 2513,66, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde[slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis. De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen. Aldus gewezen door mr. C. Kleinrensink, voorzitter, mrs. W.P.M. Elderman en H.J. Buijsman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2006. Mr. Buijsman voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.