Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV0786

Datum uitspraak2006-01-12
Datum gepubliceerd2006-02-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1533 AOR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering uitkering op grond van Uitkeringsregelement Rechtshersteld Sinti en Roma,als plaatsvervanger moeder. Onduidelijk of moeder tijdens WOII verblijf heeft gehad in Nederland.


Uitspraak

05/1533 AOR U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het Bestuur van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de op 2 februari 2005, reg. nr. AWB 02/3521, door de rechtbank ’s Hertogenbosch gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift doen indienen. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 1 december 2005. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda. II. MOTIVERING Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en volstaat met het volgende. Appellante heeft bij gedaagde een aanvraag ingediend om als plaatsvervanger van haar moeder [naam moeder] in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van het Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (hierna: het Uitkeringsreglement). Deze aanvraag heeft gedaagde bij besluit van 14 maart 2002, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2002, afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan de criteria van artikel 3, lid 2, juncto artikel 1 onder b, artikel 2 en artikel 3, lid 3,4 en 5 van het Uitkeringsreglement, omdat niet aannemelijk is geworden dat de rechtstreeks belanghebbende [naam moeder] tijdens de Tweede Wereldoorlog verblijf heeft gehad in Nederland. In hoger beroep is evenals in eerste aanleg de vraag aan de orde of appellante in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat haar moeder [naam moeder] gedurende de oorlog in Nederland heeft verbleven. De rechtbank heeft deze vraag in ontkennende zin beantwoord en de Raad kan de rechtbank in dit oordeel en in de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geheel volgen. De Raad volgt daarbij de rechtbank eveneens in haar oordeel dat gedaagde geen onredelijke uitleg heeft gegeven aan artikel 2 van het Uitkeringsreglement door te bepalen dat in dit geval [naam moeder] enige tijd in Nederland moet hebben verbleven en mede de intentie moet hebben gehad voor langere tijd in Nederland te verblijven en/of met grote regelmaat in Nederland moet hebben vertoefd. Met de rechtbank acht de Raad in dit verband van belang dat [naam moeder] op 30 augustus 1942 in België is geboren en dat haar moeder, [M.M. M.], voor die datum naar België is vertrokken, aldaar met een Belg is getrouwd en dat haar kinderen, de jongste uitgezonderd, in België zijn geboren. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de door appellante ingebrachte stukken niet aannemelijk is geworden dat [naam moeder] in Nederland heeft verbleven. Ook op grond van het in hoger beroep namens appellante ingestuurde uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Utrecht waaruit blijkt [M.M. M.] tot 13 juli 1943 in die gemeente is ingeschreven geweest en ingaande die datum is uitgeschreven als “vertrokken Onbekend waarheen”, acht de Raad een verblijf in Nederland in bovenbedoelde zin van [naam moeder] niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande van de omstandigheid dat gegevens in de gemeentelijke basisadministratie vaak onvolledig of onjuist zijn bij diegenen als [M.M. M.], die met een woonwagen rondtrekken, kan de Raad gegeven alle overige omstandigheden die wijzen op een (bestendig) verblijf van [M.M. M.] in België na de geboorte van [naam moeder], aan deze inschrijving niet het door appellante gewenste gewicht toekennen. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.