Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV0902

Datum uitspraak2006-02-01
Datum gepubliceerd2006-02-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200505628/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 november 2004 heeft verweerder aan onder meer appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit).


Uitspraak

200505628/1. Datum uitspraak: 1 februari 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 9 november 2004 heeft verweerder aan onder meer appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit). Bij besluit van 23 mei 2005 heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 juli 2005. Bij brief van 25 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.E.L. Delissen, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.J. Wortel, mr. E. Kunst en ing. H.C.G.M. Bastiaansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. In het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 9 november 2004 is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien na het in werking treden van dit besluit gedurende een periode van één jaar geen dwangsom is verbeurd, het besluit ambtshalve is ingetrokken vanaf het moment waarop dat jaar is verstreken. Niet in geschil is dat gedurende voornoemde periode geen dwangsom is verbeurd en dat het besluit van 9 november 2004 derhalve ambtshalve is ingetrokken. Daarmee is de last onder dwangsom opgeheven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt desondanks nog belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. In dit verband overweegt de Afdeling dat de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding geeft om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan. 2.2. Het beroep is niet-ontvankelijk. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat. w.g. Konijnenbelt w.g. Plambeck Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2006 159-462."