
Jurisprudentie
AV1056
Datum uitspraak2006-01-26
Datum gepubliceerd2006-02-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6924 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6924 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Termijnoverschrijding indienen verzetschrift.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/6924 WUV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], Indonesie, opposant
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 28 april 2005 het door opposant ingestelde beroep tegen een ten aanzien van hem door geopposeerde genomen besluit van 14 juni 2004 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift niet tijdig bij de Raad is ingediend.
Tegen die uitspraak heeft opposant verzet gedaan bij brief van 28 april 2005, welke op 6 juli 2005 bij de griffie van de Raad is ontvangen.
Het verzet is behandeld ter zitting van 15 december 2005. Daar is opposant niet verschenen. Geopposeerde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
De Raad heeft vastgesteld dat opposant in verzet geen gronden naar voren heeft gebracht die tot een gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden.
De in de verzetsprocedure door opposant opgegeven redenen voor de termijnoverschrijding te weten, dat de termijn van 13 weken ontoereikend is vanwege de distributie van brieven naar afgelegen gebieden in Indonesiƫ, kan niet worden aangemerkt als omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat bij toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 met moeilijkheden omtrent de postbezorging die specifiek verband houden met het gevestigd zijn in het buitenland, reeds in algemene zin rekening is gehouden door voor die personen een langere beroepstermijn te laten gelden dan gebruikelijk, namelijk 13 in plaats van 6 weken.
In verzet zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.

