Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV1109

Datum uitspraak2006-07-14
Datum gepubliceerd2006-07-14
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC05/077HR (1429)
Statusgepubliceerd


Indicatie

Onteigeningszaak. Geschil tussen de Staat en de exploitant van een hotel/café-restaurant over de vervroegde onteigening ten algemenen nutte (Hogesnelheidslijn-Zuid c.a.); schadeloosstelling; ontvankelijkheid in cassatie, onteigeningsvonnis dat bij latere beslissing op de voet van art. 31 Rv. wordt verbeterd, beroep tegen niet verbeterd deel van onteigeningsvonnis niet-ontvankelijk wegens overschrijding van termijn ex art. 52 Ow; doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv., vonnis meervoudige kamer kan niet door enkelvoudige kamer worden verbeterd, geen belang bij vernietiging van verbetering.


Conclusie anoniem

C05/077HR Mr. F.F. Langemeijer Zitting 3 februari 2006 Conclusie inzake: de Staat der Nederlanden tegen Hotel - cafe restaurant Princeville Beheer B.V. In deze zaak, die samenhangt met de onteigeningszaak onder nr. C 05/037 HR, gaat het om de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen een beslissing tot verbetering van een vonnis op de voet van art. 31 Rv. 1. De feiten en het procesverloop 1.1. Bij vonnis van 18 juni 2002 heeft de rechtbank te Breda op vordering van de Staat de onteigening uitgesproken van gedeelten van percelen die toebehoorden aan de huidige verweerster in cassatie (hierna: Princeville), een voorschot op de schadeloosstelling bepaald en deskundigen aangewezen ter begroting van de schade. 1.2. Bij vonnis van 1 december 2004 heeft de rechtbank (meervoudige kamer) de schadeloosstelling vastgesteld op € 148.368,13 en de Staat veroordeeld in de kosten van het onteigeningsgeding, aan de zijde van Princeville gevallen, begroot op € 1.760,84 excl. BTW. 1.3. Bij brief van 2 december 2004 heeft de raadsman van Princeville de rechtbank erop gewezen dat in het vonnis abusievelijk de kosten van juridische en technische bijstand niet zijn opgeteld. Bij brief van 8 december 2004 heeft de raadsman van de Staat aangegeven geen behoefte te hebben aan een herstelvonnis, omdat de Staat bereid is het genoemde bedrag aan de wederpartij te betalen. Bij brief van 12 januari 2005 heeft de raadsman van Princeville te kennen gegeven desondanks prijs te stellen op een herstelvonnis(1). 1.4. Op (de grosse van) het vonnis van 1 december 2004 is een stempel geplaatst met de tekst "vonnis verbeterd conform aangehechte beslissing d.d." waarachter als datum is ingevuld: "9 - 2 - 2005". Aan het vonnis is een extra pagina gehecht met, na weergave van de zojuist genoemde correspondentie, de volgende tekst: "De rechtbank heeft geconstateerd dat er sprake is van een kennelijke fout, hetgeen verbeterd dient te worden. De rechtbank verbetert het vonnis in die zin dat in het dictum eiser wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van gedaagde gevallen tot op heden begroot op € 13.088,84 (exclusief BTW), zijnde de kosten van technische en juridische bijstand. Aldus verbeterd door mr. Nollen [de voorzitter van de meervoudige kamer die het vonnis van 1 december 2004 had gewezen, noot A-G] en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2005." 1.5. Namens de Staat is, op de wijze en binnen de termijn die voor onteigeningszaken geldt(2), cassatieberoep ingesteld tegen het "op 9 februari 2005 uitgesproken (verbeterde) vonnis in de onteigeningsprocedure". In het cassatiemiddel van de Staat zijn de onderdelen 1 en 2 identiek aan die in het cassatieberoep dat de Staat heeft ingesteld tegen het vonnis van 1 december 2004 (bij de Hoge Raad bekend onder nummer C 05/037 HR). Onderdeel 3 maakt bezwaar tegen de beslissing tot verbetering. 1.6. Princeville heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Staat in het huidige cassatieberoep: (a) met het argument dat de (in de onderdelen 1 en 2) bestreden overwegingen geacht moeten worden deel uit te maken van het op 1 december 2004 gewezen vonnis en dat niet, daarnaast nog, sprake is van een afzonderlijk vonnis d.d. 9 februari 2005; (b) met het argument dat art. 31 lid 4 Rv ieder rechtsmiddel tegen de beslissing tot verbetering uitsluit. Subsidiair heeft Princeville onder meer aangevoerd dat de Staat geen belang heeft bij het cassatieberoep omdat de raadsman van de Staat zelf te kennen had gegeven dat geen herstelvonnis nodig was en de Staat bereid was het desbetreffende bedrag (kosten van bijstand) aan Princeville te betalen. Voor zover nog nodig, heeft Princeville onderdeel 1 tegengesproken, zich t.a.v. de onderdelen 2 en 3 gerefereerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. In het incidenteel cassatieberoep herhaalt Princeville de klachten welke zij (in de parallelprocedure) tegen het vonnis van 1 december 2004 had aangevoerd. 1.7. Nadat de Staat op het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep had geantwoord, hebben partijen hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek. 2. De ontvankelijkheid van het principaal cassatieberoep 2.1. Art. 31 Rv bepaalt, voor zover hier van belang: "1. De rechter verbetert te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. 2. De verbetering wordt op een door de rechter nader te bepalen dag uitgesproken en wordt met vermelding van deze dag en van de naleving van de tweede volzin van het eerste lid op de minuut van het vonnis, het arrest of de beschikking gesteld. 3. (...) 4. Tegen de verbetering of de weigering daarvan staat geen voorziening open." 2.2. Een verbetering op de voet van art. 31 Rv heeft niet tot gevolg dat het oorspronkelijk uitgesproken vonnis ophoudt te bestaan en door een nieuw vonnis wordt vervangen. Dit blijkt reeds uit het voorschrift dat de verbetering op de minuut van het oorspronkelijke vonnis wordt gesteld. Het oorspronkelijke vonnis moet worden gelezen zoals het met inachtneming van de verbetering luidt. De beslissing houdende de verbetering deelt derhalve in het lot van het oorspronkelijke vonnis indien tegen het oorspronkelijke vonnis een rechtsmiddel is aangewend(3). 2.3. Dit brengt mee dat de Staat in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover hij klachten richt tegen het vonnis van 1 december 2004 (d.w.z. de onderdelen 1 en 2 van het cassatiemiddel). Het huidige cassatieberoep is ingesteld na het verstrijken van de termijn voor beroep tegen het vonnis van 1 december 2004. Overigens heeft de Staat bij deze klachten geen belang, omdat zij ook in de parallelprocedure naar voren zijn gebracht. 2.4. Onderdeel 3 is gericht tegen de beslissing tot verbetering. De regel van het vierde lid van art. 31 Rv stemt overeen met de rechtspraak over de periode waarin de verbeteringsmogelijkheid nog ongeschreven recht was(4). De Hoge Raad heeft (overeenkomstig de oudere rechtspraak over doorbreking van een rechtsmiddelenverbod) een uitzondering aanvaard indien de rechter: (i) de regel van procesrecht die een (verzoek tot) verbetering mogelijk maakt ten onrechte niet heeft toegepast, of (ii) buiten het toepassingsgebied van die regel is getreden, dan wel (iii) zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verbeteringsverzoek niet kan worden gesproken. 2.5. Voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen de beslissing d.d. 9 februari 2005 tot verbetering van het vonnis van 1 december 2004 is vereist dat een beroep wordt gedaan op een of meer van deze doorbrekingsgronden. In middelonderdeel 3 wordt geklaagd dat de verbetering ten onrechte heeft plaatsgevonden door een enkelvoudige kamer van de rechtbank in plaats van door de meervoudige kamer die het vonnis van 1 december 2004 had gewezen. Dit is, indien juist, aan te merken als een essentieel vormverzuim in de zin van de onder iii genoemde doorbrekingsgrond(5). Het principaal cassatieberoep is, voor wat betreft onderdeel 3, in dit opzicht ontvankelijk te achten. 2.6. Indien de Hoge Raad zou toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van onderdeel 3, kan uit HR 17 december 1999, NJ 2000, 171, reeds aangehaald, de regel worden afgeleid dat een vonnis van een meervoudige kamer niet kan worden verbeterd (op de voet van art. 31 Rv) door een enkelvoudige kamer van hetzelfde college. Bij wijze van uitgangspunt is veel voor die regel te zeggen: zowel de tekst van 31 Rv als de parlementaire geschiedenis gaan ervan uit dat de rechter die het vonnis heeft gewezen ook degene is die bevoegd is tot het verbeteren van een kennelijke fout als bedoeld in art. 31(6). Het zou ook wel vreemd zijn wanneer één rechter, wellicht tegen de wil van zijn beide collega's in de meervoudige kamer die het vonnis heeft gewezen, in het vonnis veranderingen zou kunnen aanbrengen, met name nu een verbetering ook ambtshalve kan plaatsvinden (art. 31 lid 1 Rv). 2.7. Toch verdient dit uitgangspunt een relativering. Het is praktisch niet altijd mogelijk dat de beslissing over een verzoek tot verbetering wordt genomen door dezelfde rechter of rechters die het oorspronkelijke vonnis heeft/hebben gewezen. Een verzoek tot verbetering is niet aan een termijn gebonden. Tegen de tijd dat op het verbeteringsverzoek wordt beslist, kan de rechter die het oorspronkelijke vonnis (mede) heeft gewezen bijvoorbeeld overleden of gedefungeerd zijn. M.i. kan bezwaarlijk worden aangenomen dat in zo'n geval geen enkele rechter bevoegd zou zijn om te beslissen over het verzoek tot verbetering. Het is onvermijdelijk dat zich situaties zullen voordoen waarin de rechter die op het verbeteringsverzoek beslist een andere persoon is dan de rechter die het oorspronkelijke vonnis heeft gewezen(7). Dat is ook niet erg: blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 31 Rv is er alleen plaats voor verbetering van een "kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent" indien voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is(8). Anders gezegd: om te kunnen oordelen over een verzoek tot verbetering is het niet nodig, te hebben deelgenomen aan de beraadslaging over het oorspronkelijke vonnis. De fout zal voor een geschoolde lezer van het vonnis onmiddellijk te zien zijn(9). 2.8. Hoe dan ook, de Hoge Raad behoeft niet toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van onderdeel 3, nu het bestreden oordeel volledig overeenstemt met het standpunt dat de Staat in de correspondentie zelf had ingenomen: zie alinea 1.3 hiervoor. Princeville heeft daarom terecht aangevoerd dat de Staat bij deze klacht geen belang heeft. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan niet worden gezegd dat de beslissing van 9 februari 2005, genomen door een enkelvoudige kamer, van rechtswege nietig is. 2.9. De slotsom is dat de Staat niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Aangezien de voorwaarde, waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld, niet is vervuld, kan het incidenteel cassatieberoep onbesproken blijven. 3. Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de Staat in zijn principaal cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Ik trof de genoemde brieven niet aan bij de overgelegde stukken. De inhoud is te kennen uit de beslissing houdende de verbetering. 2 Zie hierover: Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechterlijke uitspraken (2005), blz. 195-196. 3 Vgl. HR 25 februari 2005, LJN-nr. AR 6202 en de conclusie van mijn ambtgenote Wesseling-van Gent vóór dat arrest (met name alinea 2.22); I.P.M. van den Nieuwendijk, Verbetering van rechterlijke uitspraken (art. 31 Rv), JBPr 2004, blz. 111-120. 4 De MvT (zie: Van Mierlo/Bart, Parlementaire geschiedenis van de herziening van het burgerlijk procesrecht, blz. 176) verwijst in dit verband naar HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672 m.nt. HJS. 5 Zie HR 17 december 1999, NJ 2000, 171, rov. 3.7. 6 Vgl. Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (2005), blz. 174. 7 Los daarvan, kan - indien tegen het oorspronkelijke vonnis een rechtsmiddel is aangewend - ook de rechter in beroep het oorspronkelijke vonnis verbeterd lezen. 8 MvT, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch., reeds aangehaald, blz. 175. 9 Indien in een voorkomend geval niet sprake is van een "kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent", maar niettemin verbetering van het vonnis plaatsvindt, kan de partij die daarvan nadeel ondervindt een beroep doen op de tweede doorbrekingsgrond, namelijk dat buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden.


Uitspraak

14 juli 2006 Eerste Kamer Nr. C05/077HR (1429) JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE STAAT DER NEDERLANDEN, gevestigd te 's-Gravenhage, EISER tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerder, advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema, t e g e n HOTEL-CAFÉ, RESTAURANT PRINCEVILLE BEHEER B.V., gevestigd te Breda, VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres, advocaat: mr. P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instantie Eiser tot cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploot van 12 februari 2001 verweerster in cassatie (hierna: Princeville) gedagvaard voor de rechtbank te Breda en ten behoeve van de aanleg van de: I. Hogesnelheidslijn-Zuid, vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 37.035) tot aan de Oude Berkloop (km. 49.400) met inbegrip van de verbindingsbogen in en uit de richting Breda tot aan km. 22.320, de verlegging van de spoorlijn Breda-Dordrecht tussen HSL km. 37.040 en km. 37.990 en de verlegging van de spoorlijn Roosendaal-Breda tussen km. 19.750 en km. 22.320, met bijkomende werken, in de gemeente Breda; alsmede II. de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (Rijksweg 16), vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 54.630) tot aan de Oude Berkloop (km. 67.055), met inbegrip van de realisering van knooppunt Princeville tussen km. 60.400 en km. 61.900, met bijkomende werken, in de gemeente Breda; alsmede III. de ombouw van de weg Eindhoven-Breda-Vlissingen-Breskens-Belgische grens (Rijksweg 58) tot autosnelweg tussen het knooppunt Princeville en de grens met de gemeente Etten-Leur (km. 3.120), met bijkomende werken in de gemeente Breda, gevorderd ten name van de Staat ten algemene nutte vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelten ter grootte van 0 00 11 hectare (grondplannummer [001]), 0 00 23 hectare (grondplannummer [002]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [003], en 0 02 65 hectare (grondplannummer [004]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [005], en 0 07 60 (grondplannummer [006]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [007], waarvan Princeville als eigenares is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen. Bij vonnis van 18 juni 2002, verbeterd bij beslissing van 5 november 2002, dat op 14 november 2002 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor Princeville vastgesteld op € 87.352,69, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij vonnis van 1 december 2004, later bij beslissing van 9 februari 2005 ter zake van de kosten van technische en rechtskundige bijstand verbeterd, het bedrag van de te dezer zake door de Staat aan Princeville verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op een bedrag van € 148.386,13, de Staat veroordeeld om aan Princeville tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 61.033,44, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2002 tot 1 december 2004, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, en (zoals verbeterd bij beslissing van 9 februari 2005) de Staat veroordeeld in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van Princeville gevallen tot op deze uitspraak begroot op € 13.088,84 (exclusief BTW), zijnde de kosten van technische en rechtskundige bijstand. Het vonnis van 9 februari 2005 is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie De Staat heeft tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2005 beroep in cassatie ingesteld. Princeville heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Princeville heeft in het principale beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel ten aanzien van middelonderdeel 1 tot verwerping van het beroep en ten aanzien van middelonderdelenl 2 en 3 tot referte. De Staat heeft in het voorwaardelijk incidentele beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de Staat in zijn principaal beroep. Mr. M.W. Scheltema heeft namens de Staat bij brief van 16 februari 2006 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principale beroep 3.1 Het cassatieberoep is op 15 februari 2005 ingesteld door middel van een verklaring ter griffie van de rechtbank. Het beroep is, volgens de van die verklaring opgemaakte akte, gericht tegen het "vonnis" van die rechtbank van 9 februari 2005, onder rolnummer 95310/HAZA 01-761 gewezen. De rechtbank heeft in de zaak met dat rolnummer bij vonnis van 1 december 2004 einduitspraak gedaan en bij op 9 februari 2005 uitgesproken beslissing dat vonnis op de voet van art. 31 Rv. verbeterd. De onderdelen 1-2.6 van het cassatiemiddel behelzen klachten tegen het niet verbeterde deel van het vonnis van 1 december 2004. De uitspraak waarbij dat vonnis is verbeterd kan, anders dan de Staat blijkbaar veronderstelt, niet worden aangemerkt als de uitspraak van een verbeterd vonnis. Door de verbetering is ook geen nieuwe termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen het vonnis van 1 december 2004 gaan lopen (vgl. MvT bij art. 31 Rv., Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, blz. 175). Het cassatieberoep is derhalve, voorzover de Staat daarmee het vonnis van 1 december 2004 wil aantasten, na afloop van de in art. 52 Ow. bedoelde termijn ingesteld. Dit brengt mee dat het beroep niet-ontvankelijk is wat betreft de onderdelen 1 en 2 van het middel. Het beginsel dat de onteigeningsrechter in één en hetzelfde vonnis de totale schadeloosstelling moet vaststellen maakt dit niet anders, omdat de verbetering niet wegneemt dat de totale schadeloosstelling, met inbegrip van de vergoeding van kosten van juridische bijstand terzake waarvan door middel van de verbetering een veroordeling van de Staat aan het dictum van het vonnis van 1 december 2004 is toegevoegd, geacht moet worden te zijn vastgesteld in dat vonnis. 3.2 Het derde onderdeel van het middel is gericht tegen de verbetering. Geklaagd wordt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999, nrs. C98/183, C98/238 en C98/239, NJ 2000, 171, dat verbetering van een door een meervoudige kamer gewezen vonnis niet door de enkelvoudige kamer kan plaatsvinden. In zoverre beroept de Staat zich op een essentieel vormverzuim dat doorbreking van de in art. 31 lid 4 Rv. neergelegde rechtsmiddelenuitsluiting rechtvaardigt en is hij ontvankelijk in zijn cassatieberoep. 4. Beoordeling van het derde onderdeel van het middel in het principale beroep Hoewel het onderdeel terecht tot uitgangspunt neemt dat de verbetering van het door de meervoudige kamer gewezen vonnis van 1 december 2004 eveneens had moeten geschieden door de meervoudige kamer en de klacht dat de rechtbank zulks miskend heeft dus gegrond is, kan het toch niet tot cassatie leiden. Blijkens de verbetering heeft de advocaat van de Staat bij brief van 8 december 2004 medegedeeld dat de Staat bereid was de kosten van juridische bijstand aan de zijde van Princeville, die in het vonnis aanvankelijk abusievelijk niet bij de kosten van technische bijstand waren opgeteld, aan Princeville te betalen. Aangenomen moet dan ook worden dat de Staat, die niets heeft aangevoerd waaruit het tegendeel zou kunnen voortvloeien, geen belang erbij heeft dat de verbetering wordt vernietigd en alsnog vervangen door een verbetering in dezelfde zin, gedaan door de meervoudige kamer. 5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep Nu in het incidentele beroep slechts klachten zijn aangevoerd tegen oordelen van de rechtbank die neergelegd zijn in het niet verbeterde deel van haar vonnis van 1 december 2004, vat de Hoge Raad de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld aldus op, dat Princeville dat beroep slechts heeft willen instellen voor het geval dat de Staat ontvankelijk is in zijn cassatieberoep voor zover daarin geklaagd wordt over in het niet verbeterde deel van het vonnis van 1 december 2004 vervatte oordelen van de rechtbank. Waar de Staat in zoverre niet-ontvankelijk is, is aan de voorwaarde niet voldaan en behoeft het incidentele beroep dus geen behandeling. 6. Beslissing De Hoge Raad: in het principale beroep: verklaart de Staat niet-ontvankelijk voorzover het beroep van de Staat gericht is tegen oordelen, vervat in het niet verbeterde deel van het vonnis van de rechtbank van 1 december 2004 en verwerpt het beroep voor het overige; veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van Princeville begroot op € 1.901,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.