
Jurisprudentie
AV1493
Datum uitspraak2006-02-09
Datum gepubliceerd2006-02-10
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200500833
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-10
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200500833
Statusgepubliceerd
Indicatie
Indien de partneralimentatie van ruim € 1.000,= pm per 1 juli 2005 wordt beëindigd, zal de vrouw meer dan de helft van haar inkomsten verliezen, zonder dat zij dit kan compenseren. Definitieve beëindiging van de alimentatie per 1 juli 2005 is te ingrijpend. Wél is het redelijk om, in het licht van de hierna te noemen omstandigheden, de hoogte van de (te verlengen) partneralimentatie te beperken. Het (nagenoeg) ontbreken van pensioen aan de zijde van de vrouw, alsmede de aanwezigheid van een hoge financiële draagkracht van de man worden afgezet tegen het feit dat de man zijn vermogen pas jaren na de echtscheiding heeft weten op te bouwen, dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat de vrouw 10 jaar na de echtscheiding arbeidsongeschikt is geraakt en dat van hem niet eindeloos kan worden verlangd (volledig) in de behoefte van de vrouw te voorzien. Resultaat: verlengen tot 65 jaar (augustus 2012) met tot € 500,= pm verlaagd bedrag. Daarna niet verlengbaar.
Uitspraak
WSdH
9 februari 2006
Rekestenkamer
Rekestnummer R200500833
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[naam appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
de vrouw,
procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,
t e g e n
[naam geintimeerde],
wonende te [woonplaats] (België),
geïntimeerde,
de man,
procureur mr. J. van Zinnicq Bergmann.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 20 mei 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2005, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij de onderhoudsbijdrage ten bedrage van E. 1.077,05 bruto per maand ten behoeve van de vrouw is verlengd slechts tot 1 juli 2009 en niet voor onbepaalde tijd is verlengd althans niet verder dan tot die datum is verlengd en voor zover daarbij is bepaald dat verdere verlenging niet mogelijk is en voor zover in de beschikking a quo een afbouwregeling is toegepast en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van 31 december 2004 een onderhoudsbijdrage verschuldigd zal zijn van E. 1.077,05 bruto per maand, te indexeren per 1 januari 2005.
2.2. Bij verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl en ingekomen ter griffie op 31 augustus 2005, heeft de man verzocht het beroep van de vrouw tegen voormelde beschikking af te wijzen. Voorts heeft de man in incidenteel appèl verzocht voormelde beschikking te vernietigen voorzover daarbij is bepaald dat de onderhoudsverplichting van de man is verlengd tot 1 juli 2009 en voorzover daarbij een afbouwregeling is toegepast, en met afwijzing van het inleidend verzoek van de vrouw om met vernietiging van voormelde uitspraak te bepalen dat de man met ingang van 31 december 2004 een onderhoudsbijdrage verschuldigd zal zijn van E. 1.077,05 bruto per maand, te indexeren per 1 januari 2005, opnieuw rechtdoende, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
* Primair te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man zal eindigen per 1 juli 2005 waarna deze niet meer vatbaar zal zijn voor verlenging;
* Subsidiair vast te stellen een verlenging van de alimentatieverplichting van de man na 1 juli 2005 vast te stellen korter dan een periode van vier jaar, onder bepaling van een afbouwregeling in die periode, alsmede te bepalen dat de alimentatieverplichting na deze termijn niet vatbaar zal zijn voor verlenging;
* Meer subsidiair te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man zal voortduren tot 1 juli 2009, onder vaststelling van een afbouwregeling voor de periode gelegen tussen 1 juli 2005 en 1 juli 2009 vastgesteld conform voormelde beschikking, met bepaling dat de alimentatieverplichting na 1 juli 2009 niet vatbaar zal zijn voor verlenging.
2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2005, heeft de vrouw verzocht het incidenteel beroep van de man en diens vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond te verklaren.
2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 januari 2006.
Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.
2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 februari 2005.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Partijen zijn op 20 oktober 1966 met elkaar gehuwd. Het tussen hen gewezen echtscheidingsvonnis van de rechtbank Breda van 17 juli 1990 is op 23 augustus 1990 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, die inmiddels meerderjarig zijn.
Bij het echtscheidingsvonnis is onder meer bepaald dat de man vanaf de dag van inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van fl. 4.500,-
(E. 2.042,-) per maand, welk bedrag zal wijzigen per 1 januari 2000 in die zin dat de bijdrage alsdan zal worden gehalveerd tot een maandelijkse bijdrage van fl. 2.250,- (E. 1.021,-) per maand en nog slechts verschuldigd zal zijn gedurende en periode van 5 jaar en derhalve een einde nemende op 31 december 2004. Deze bedragen zijn door partijen bij echtscheidingsconvenant d.d. januari 1990 overeengekomen en door de rechtbank overgenomen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de partneralimentatie in het convenant 1 januari 1990 betrof en in het echtscheidingsvonnis is gewijzigd in de dag van inschrijving van de echtscheiding.
4.2. In eerste aanleg heeft de vrouw de rechtbank verzocht te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man voortduurt met ingang van 31 december 2004, alsmede vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van E. 1.333,82 per maand, met bepaling dat die bijdrage met ingang van 1 januari 2005 wordt geïndexeerd.
4.3. De man heeft voornoemd verzoek van de vrouw in eerste aanleg weersproken. Voor het geval dat de rechtbank van oordeel zou zijn dat de onderhoudsverplichting voort dient te duren heeft de man de rechtbank bij zelfstandig verzoek gevraagd de onderhoudsverplichting met ingang van 31 december 2004 vast te stellen op nihil, althans op een lager bedrag dan de geldende bijdrage, alsmede een termijn vast te stellen gedurende welke de man dat bedrag dient te blijven voldoen en daarbij te bepalen dat de alimentatie na ommekomst van die termijn niet meer verlengd kan worden.
4.4. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw tot 1 juli 2009 verlengd en bepaald dat na ommekomst van die datum verlenging niet mogelijk is. Voorts heeft de rechtbank voornoemd vonnis van 17 juli 1990 gewijzigd aldus dat de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdrage voor de vrouw nader wordt vastgesteld op:
* E. 821,- per maand met ingang van 1 juli 2005,
* E. 621,- per maand met ingang van 1 juli 2006,
* E. 421,- per maand met ingang van 1 juli 2007 en
* E. 221,- per maand met ingang van 1 juli 2008.
4.5. In hoger beroep van voormelde uitspraak heeft de vrouw drie grieven aangevoerd en heeft de man in incidenteel appèl drie grieven aangevoerd. De man respectievelijk de vrouw hebben de grieven gemotiveerd bestreden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de man zijn incidentele grieven I (inspanningsverplichting vrouw) en II (datum van arbeidsongeschikt- heid) ingetrokken, zodat deze geen beoordeling behoeven. De (overige) grieven zal het hof hieronder afzonderlijk en verkort weergeven.
4.5.1. Grief I van de vrouw is gericht tegen de verlenging van de onderhoudsverplichting tot 1 juli 2009 en de bepaling dat deze termijn niet voor verlenging vatbaar is en de overwegingen van de rechtbank daartoe. De vrouw voert aan dat zij met ingang van 3 november 2000 arbeidsongeschikt is geraakt en dat haar behoefte aan alimentatie ook na 1 juli 2009 onverminderd zal voortduren. Daarbij stelt de vrouw dat zij nagenoeg geen pensioenvoorziening heeft (slechts de lijfrenteverzekering bij ZwitserLeven ten bedrage van E. 13.165,07 in totaal, welke per 1 juli 2009 tot uitkering zal komen) en geen noemenswaardig vermogen uit het huwelijk heeft verkregen. Volgens de vrouw bestaat er een wanverhouding tussen haar financiële omstandigheden en die van de man, waardoor de onderhoudsverplichting van de man door dient te lopen.
In de derde en enig overgebleven grief van de man in incidenteel appèl acht de man het met het oog op alle omstandigheden redelijk en billijk dat de onderhoudsverplichting jegens de vrouw niet wordt verlengd, althans wordt verlengd tot een duur korter dan door de rechtbank in haar beschikking bepaald.
4.5.2. Grief II van de vrouw is gericht tegen de door de rechtbank gehanteerde afbouwregeling. De vrouw stelt dat zij zonder een afbouwregeling beter op een eventuele beëindiging van de onderhoudsverplichting per 1 juli 2009 kan anticiperen dan met afbouwregeling.
4.5.3. Grief III betreft het weglaten van de wettelijke indexering bij het bepalen van haar aanvullende behoefte. De vrouw acht het redelijk en billijk om de door de man te betalen onderhoudsbijdrage per 1 januari 2005 te indexeren.
4.6. Het hof oordeelt als volgt.
4.6.1. Gebleken is dat de man vanaf de ingangsdatum tot op heden de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan. Inmiddels zijn meer dan 15 jaar verstreken sinds de inschrijving van de echtscheidings- beschikking op 23 augustus 1990. Op de onderhavige zaak is derhalve het regime van artikel II lid 2 van de Wijzigingswet Boek 1 van het burgerlijk wetboek van 28 april 1994 (Wet Limitering Alimentatie, hierna te noemen: WLA) van toepassing.
4.6.2. Artikel II lid 2 van de WLA bepaalt dat op verzoek van degene, die op grond van een vóór inwerkingtreding van de wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de rechter de onderhoudsverplichting beëindigt indien deze op of na dat tijdstip tenminste 15 jaren heeft geduurd, tenzij de rechter van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt het hof in ieder geval rekening met:
a. de leeftijd van de vrouw;
b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;
c. de datum en de duur van het huwelijk;
d. de omstandigheid dat de vrouw geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden.
De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.
4.6.3. De vrouw heeft vanaf 23 augustus 1990 tot 1 januari 2000 de volledige bij echtscheidingsvonnis vastgestelde partneralimentatie ontvangen en met ingang van 1 januari 2000 de helft van de bij echtscheidingsvonnis vastgestelde partneralimentatie. Vast staat dat de vrouw met ingang van 3 november 2000 arbeidsongeschikt is geraakt. Zij ontvangt sindsdien, naast de partneralimentatie, een WAO-uitkering ten bedrage van thans E. 926,23 bruto / E. 730,58 netto per maand en een bedrag van E. 38,72 netto per maand aan Duitse rente. Gelet op de hoogte van de bijdrage in haar levensonderhoud (zonder toepassing van de wettelijke indexering), de WAO-uitkering en de Duitse rente heeft de vrouw naar het oordeel van het hof gedurende 15 jaar een behoorlijke mate van welstand gekend, derhalve ook ná de arbeidsongeschiktheid van de vrouw per november 2000.
Indien de onderhoudsverplichting van de man per 1 juli 2005 (welke beëindigingdatum de man in zijn incidenteel appèl zelf voorstelt) beëindigd wordt, zal het inkomen van de vrouw met een bedrag van E. 1.021,- per maand verminderen en zal zij daarnaast de WAO-uitkering en de Duitse rente blijven ontvangen. De vrouw zal derhalve vanaf 1 juli 2005 meer dan de helft van haar inkomsten verliezen, zonder dat zij enigermate dit inkomensverlies kan compenseren nu zij vanwege haar arbeidsongeschiktheid geen gebruik kan maken van haar verdiencapaciteit. Het hof is dan ook van oordeel dat de definitieve beëindiging van de alimentatie per 1 juli 2005, gelet op de mate van inkomensachteruitgang, dermate ingrijpend is voor de vrouw, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Ook een afbouwregeling, zoals door de rechtbank gehanteerd, komt hieraan onvoldoende tegemoet. In zoverre slagen de eerste en de tweede grief van de vrouw en faalt de incidentele grief van de man.
4.6.4. Wél acht het hof het redelijk om, in het licht van de hierna te noemen omstandigheden, de hoogte van de (te verlengen) partneralimentatie te beperken. Voorts dient het hof op grond van het bepaalde in voornoemde overgangsbepaling van de WLA alsnog een termijn vast te stellen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vrouw het hof verzocht een zo ruim mogelijke termijn aan te houden.
Bij de beoordeling van een en ander dient het hof in ieder geval rekening te houden met de hiervoor onder a tot en met d genoemde omstandigheden uit de WLA en zal het hof tevens de financiële omstandigheden van de man in haar oordeel betrekken.
4.6.5. Vast staat dat het huwelijk van partijen bijna 24 jaar heeft geduurd, dat de vrouw (geboren op 1 augustus 1947) ten tijde van het uiteengaan van partijen (bijna) 43 jaar oud was en dat de kinderen van partijen op dat moment 17 en 20 jaar oud waren. De vrouw is in 2000 arbeidsongeschikt geraakt en zij is thans 58 jaar oud. De vrouw heeft geen pensioen- voorziening, behoudens de lijfrenteverzekering bij ZwitserLeven (ten bedrage van E. 13.165,07 in totaal), welke per 1 juli 2009 tot uitkering zal komen. Deze lijfrente is ten tijde van het huwelijk van partijen vanaf 1986 opgebouwd en gebleken is dat de man een aanzienlijk hogere lijfrente tot uitkering zal krijgen dan de vrouw. Voorts is gebleken dat de man thans zeer vermogend is. De man heeft naar het oordeel van het hof ruim voldoende aangetoond dat hij dit vermogen pas jaren na de echtscheiding heeft weten op te bouwen en niet, zoals de vrouw heeft gesteld, tijdens het huwelijk van partijen. De man heeft in 1997 de verlieslijdende chocoladefabriek [a.] B.V. te [vestigingsplaats], waar hij sinds 1986 in dienst was als financieel directeur, samen met twee partners overgenomen. Vanaf toen is het economisch gezien goed gegaan met de chocolade- fabriek en in 2002 is de fabriek verkocht aan de multinational Callebaut, hetgeen de man een aanzienlijk vermogen heeft opgeleverd.
Het hof neemt afstand van het betoog van de advocaat van de vrouw, waarin deze suggereert dat de wijziging in huwelijksvoorwaarden staande het huwelijk van partijen is ingegeven om de vrouw financieel te benadelen. Tegenover het betoog van de man, dat de intentie daarbij was om de vrouw te vrijwaren van grote financiële risico's, heeft de advocaat van de vrouw zijn stelling feitelijk op geen enkele wijze kunnen onderbouwen. Het hof betreurt het dat deze discussie tijdens de mondelinge behandeling heeft geleid tot een onnodige polarisatie van de verhouding tussen partijen.
4.6.6. Het hof is van oordeel dat het (nagenoeg) ontbreken van pensioen aan de zijde van de vrouw, alsmede de aanwezigheid van een hoge financiële draagkracht van de man, relevant zijn voor de bepaling van de hoogte van de alimentatie alsmede de termijn. Deze twee omstandigheden zal het hof afzetten tegen het feit dat de man zijn vermogen pas jaren na de echtscheiding heeft weten op te bouwen, dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat de vrouw 10 jaar na de echtscheiding arbeidsongeschikt is geraakt en dat van hem niet eindeloos kan worden verlangd (volledig) in de behoefte van de vrouw te voorzien.
Omdat de vrouw reeds vanaf de echtscheiding wist dat zij (bijna) geen pensioen heeft opgebouwd, is het hof van oordeel dat van haar verwacht kon worden dat zij na de echtscheiding voor haar pensioen zou (gaan) sparen. De vrouw was (bijna) 43 jaar ten tijde van het uiteengaan van partijen en heeft derhalve 22 jaar de gelegenheid (gehad) om pensioen op te bouwen. Op haar 65ste verjaardag, 1 augustus 2012, zou de vrouw dan gerechtigd zijn tot de AOW en daarnaast de beschikking hebben over de lijfrente-uitkering en het opgebouwde pensioen, zodat haar behoefte aan de onderhoudsbijdrage redelijkerwijs zou mogen vervallen.
In het licht van de gegeven omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat de vrouw slechts tot aan haar 65ste behoefte heeft aan een zodanige onderhoudsbijdrage dat haar inkomsten boven bijstandsniveau uitkomen en zij een deel daarvan kan sparen voor haar pensioen, welk pensioen zij vanaf de datum van de echtscheiding zou kunnen hebben opgebouwd. Het hof acht in deze een (aanvullende) onderhoudsbijdrage ten bedrage van E. 500,- per maand redelijk.
4.7. Op grond van het vorenoverwogene zal het hof de onderhoudsverplichting van de man verlengen tot aan de dag dat de vrouw 65 jaar wordt (1 augustus 2012) en bepalen dat na ommekomst van die datum verdere verlenging niet mogelijk is, met dien verstande dat de onderhoudsbijdrage met ingang van de datum van deze beschikking nader wordt vastgesteld op E. 500,- per maand.
In het destijds tussen partijen afgesloten convenant was niet in een wettelijke indexering voorzien. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de wettelijke indexering thans toe te passen (grief III van de vrouw slaagt niet). Dit biedt partijen bovendien de mogelijkheid deze alimentatieverplichting af te kopen, met een bedrag ineens dan wel om te zetten in een lijfrente voor gemelde duur.
4.8. De bestreden beslissing dient dus gedeeltelijk te worden vernietigd.
4.9. De op het principaal en incidenteel appèl gevallen proceskosten worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
5. De beslissing
Het hof:
in principaal en in incidenteel appèl
vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 20 mei 2005 en wel als volgt:
wijzigt het door de rechtbank Breda tussen partijen gewezen vonnis van 17 juli 1990 in zoverre dat de man met ingang van de datum van deze beschikking tot aan de 65ste verjaardag van de vrouw (1 augustus 2012) voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van E. 500,- per maand, te voldoen bij vooruitbetaling;
beëindigt de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 augustus 2012;
bepaalt dat na ommekomst van deze termijn geen verdere verlenging mogelijk is;
bepaalt dat op de hiervoor vastgestelde onderhoudsbijdrage de wettelijke indexering niet van toepassing is;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda voor het overige;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de op het principaal en incidenteel appèl gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Kranenburg en Walstock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 februari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

