
Jurisprudentie
AV1550
Datum uitspraak2006-02-03
Datum gepubliceerd2006-02-13
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 05/953 RIOOLR HOB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-13
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 05/953 RIOOLR HOB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerder terecht aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag rioolrechten heeft opgelegd.
Uitspraak
RECHTBANK GRONINGEN
Sector bestuursrecht, enkelvoudige
belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/953 RIOOLR HOB
Uitspraakdatum: 3 februari 2006
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[eiser],
wonende
te [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Bellingwedde,
verweerder,
gemachtigde: dhr. K. Kirchhoff.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag rioolrechten, met dagtekening 31 maart 2005, opgelegd.
Bij brief van 11 mei 2005 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 30 juni 2005 heeft verweerder de beschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij schrijven van 31 juli 2005 beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2006 te Groningen.
Partijen zijn daar verschenen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
2. De feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.
Eiser is eigenaar en gebruiker van het pand [adres] te [woonplaats]. In 2003 is door de gemeente in overleg met de toenmalige eigenaar/bewoner van het pand een individueel behandelsysteem voor afvalwater (hierna: iba) bij dat pand geplaatst. In november 2004 is de IBA aangesloten op het elektriciteitsnet. Tot op heden heeft er geen enting plaatsgevonden.
3. Het geschil
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerder terecht aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag rioolrechten heeft opgelegd. Eiser is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat de iba tot op heden niet (volledig) is aangesloten.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
4. Beoordeling van het geschil
Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, Gemeentewet bepaalt dat rechten kunnen worden geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn.
Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, Gemeentewet bepaalt dat rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.
Artikel 217 Gemeentewet bepaalt dat de belastingverordeningen in de daartoe leidende gevallen de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, de grondslag, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is, vermelden.
Artikel 1, aanhef en eerste lid, van de Verordening Rioolrechten Bellingwedde 2005 (hierna: Verordening) bepaalt dat voor de toepassing van de Verordening onder gemeentelijke riolering mede wordt begrepen het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater en de van gemeentewege gerealiseerde en in gemeentelijk eigendom zijnde individuele behandelingssystemen voor afvalwater.
Artikel 2, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat onder de naam “rioolrechten” wordt geheven een recht van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een tijdstipbelasting. Het begin van het kalenderjaar moet in deze worden gelezen als 1 januari van het jaar 2005. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat reeds vóór 1 januari 2005 een van gemeentewege gerealiseerde en in gemeentelijk eigendom zijnde iba is geplaatst bij de woning van eiser. Voorts staat vast dat de iba op 1 januari 2005 nog niet was voorzien van een stroomaansluiting en voorts nog niet was geënt.
Nu evenwel tevens vast is komen te staan dat de iba op 1 januari 2005 in werking was als een soort veredelde septic-tank en sprake was van lozing - hoe onvolkomen wellicht dan ook - op het rioolstelsel is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarden voor de heffing van rioolrechten. De rechtbank verwijst in deze naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 maart 1984, Belastingblad 1989, pagina 184 en het gerechtshof Den Haag van 29 juni 1995, Belastingblad 1996, pagina 39.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat hij een gesteld zakelijk recht wat betreft de iba niet onderschrijft omdat, wat daar verder van zij, dit niet afdoet aan de constatering dat per 1 januari 2005 feitelijk voldaan is aan de relevante voorwaarden.
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, wordt het beroep ongegrond verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.P. den Hollander. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2006, in tegenwoordigheid van mr.drs. H.A. Hulst, griffier.
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.
AWB 05/953 HOB blad 3
uitspraak

