Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV1652

Datum uitspraak2006-02-14
Datum gepubliceerd2006-02-14
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/600017-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft in de gevangenis voorbereidingshandeling(en) begaan met het oogmerk om een of meer moorden en/of doodslagen te plegen en/of ontploffingen teweeg te brengen. Het misdrijf is met terroristisch oogmerk gepleegd. Bewijsverweer ten aanzien van getuigenverklaringen verworpen. Bewijsoverweging. Feit 2 wettig en overtuigen bewezen. Verdachte heeft zonder toestemming van de Koningin getracht een medegedetineerde te werven voor de gewapende strijd. Bewijsverweer van de raadsman verworpen. Verklaring van medegedetineerde wordt door de rechtbank betrouwbaar geacht. Bewijsoverweging.


Uitspraak

Parketnummer: 10/600017-05 Datum uitspraak: 14 februari 2006 Tegenspraak raadsman van verdachte mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam. VONNIS van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [plaatsnaam], verblijvende te [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen te Vught. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2006. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze vordering is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd A1 en A2). EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Den Hartigh heeft gerequireerd tot de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest. BEWEZENVERKLARING Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in de periode van 8 november 2004 tot en met 23 maart 2005 te Maastricht en Amsterdam met het oogmerk om - een of meer moord(en) te begaan en/of - een of meer doodslag(en) te plegen en/of - een of meer ontploffing(en) waarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten is en/of welk feit iemands dood ten gevolge heeft, teweeg te brengen, zulks (telkens) te begaan en/of plegen met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen: - een ander of anderen heeft getracht te bewegen om één of meer van die misdrijven te plegen en om daartoe middelen of inlichtingen te verschaffen, en - middelen en inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven voor zich heeft trachten te verschaffen en - voorwerpen voorhanden heeft (gehad) waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven, immers heeft verdachte (meermalen) - personen benaderd (waaronder [medegedetineerde 1]) met de vraag hoe hij, verdachte, aan springstoffen en/of semtex en/of handgranaten en/of wapens kon komen en/of (daarbij) aan die perso(o)n(en) geld geboden om informatie en/of adressen aan hem, verdachte, te leveren voor (deze) explosieven en/of - gezegd (woorden van de strekking) dat hij, verdachte, het geweldig zou vinden om een heilige dood te sterven en dat hij zichzelf wilde opblazen op een plek waar veel mensen aanwezig zouden zijn en/of - gezegd dat hij, verdachte, het gebouw van de AIVD wilde opblazen en - gezegd dat hij, verdachte, de heer Donner en/of mevrouw Hirsi Ali en/of de heer Wilders wilde doden en - een computer en een USB-stick/MP3-speler voorhanden gehad met daarop (in een directory genaamd: Wapens; Explosieven; voorbereidingen) een of meer bestand(en), bevattende diverse handboeken voor het maken en/of gebruiken van explosieven en giffen (book 002, book 003 en The Mujahideen Poisonsbook). 2. hij in de periode van 8 november 2004 tot en met 23 maart 2005 te Maastricht zonder toestemming van de Koning(in), [medegedetineerde 2], heeft geworven voor de gewapende strijd, door deze persoon te benaderen met de vraag of - hij wil meegaan naar een trainingskamp in Pakistan of Afghanistan, en - hij net als hij, verdachte, als martelaar wil sterven, en - hij wil toetreden tot de groep die wil gaan strijden tegen het Westen en mee wil doen aan de gewelddadige Jihad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. BEWIJSMOTIVERING De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen. BEWIJSOVERWEGINGEN Algemeen Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken: verdachte is van 8 november 2004 tot 5 maart 2005 gedetineerd geweest in de Penitentiaire Inrichting “Overmaze” te Maastricht. Uit het dossier blijkt dat op 7 februari 2005 informatie werd ontvangen van/namens de directeur van de inrichting, welke informatie luidde: - dat [verdachte] tegenover medegedetineerden heeft aangegeven dat het hem geweldig lijkt om zichzelf op te blazen in het bijzijn van een grote mensenmassa; - dat [verdachte] aan medegedetineerden heeft gevraagd hoe hij aan springstof kan komen en waar hij dit kan kopen; - dat [verdachte] medegedetineerden heeft verzocht toe te treden tot een organisatie die tot doel heeft het moorden, zelfopoffering, de Jihad predikt, de oorlog naar het westen wil ondersteunen en nog meer terroristische acties wil doen; - dat [verdachte] hiertoe systematisch moslim-gedetineerden benaderde. In de Penitentiaire Inrichting “Overmaze” werden vervolgens diverse gedetineerden en PIW-ers (de penitentiaire inrichtingen werkers / bewakers ) gehoord. Door een aantal van hen werd verklaringen afgelegd over het gedrag van verdachte ten tijde van diens verblijf in de inrichting. Door meerdere getuigen werd vorenstaande informatie bevestigd. De verdachte [verdachte] werd op 23 maart 2005 in zijn ouderlijke woning te Amsterdam aangehouden op grond van de thans tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er voor dit feit weliswaar voldoende wettig bewijs voorhanden is maar dat dit bewijs onvoldoende overtuigend is zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing voert de raadsman aan dat van de ongeveer dertig medegedetineerden die gedurende de periode dat verdachte in de inrichting verbleef, slechts drie gedetineerden belastend over verdachte hebben verklaard. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van deze getuigen onbetrouwbaar zijn, niet verifieerbaar en onderling uiteen lopen. De rechtbank gaat er van uit dat de raadsman bedoeld heeft te stellen dat deze verklaringen niet voor het bewijs gebruikt dienen te worden. De rechtbank verwerpt dit verweer. Anders dan de raadsman lijkt te betogen brengt het enkele feit dat niet alle medegedetineerden belastend hebben verklaard over verdachte niet mee dat de getuigen die wel belastend hebben verklaard onbetrouwbaar zijn. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat niet iedereen is gehoord, enkele gedetineerden in het geheel geen verklaring hebben willen afleggen over medegedetineerden of aangaven bang te zijn over verdachte te verklaren. De getuigen die belastend over verdachte hebben verklaard (te weten de medegedetineerden [medegedetineerde 1], [medegedetineerde 3] en [medegedetineerde 2]) hebben hun verklaringen bij de rechter-commissaris - in het bijzijn van de raadsman van verdachte - herhaald en bevestigd. Hierbij heeft de verdediging in ieder geval de gelegenheid gekregen deze getuigen te bevragen en op betrouwbaarheid te toetsen. Ook nadat verdachte hierover ter zitting expliciet is ondervraagd, is niet gebleken van enig belang van deze getuigen om in strijd met de waarheid belastend tegen verdachte te verklaren. Uit het dossier blijkt voorts dat de belastende verklaringen van genoemde medegedetineerden worden ondersteund door een rapport mede opgemaakt door de PIW-er [bewaker 1] gedateerd 26 januari 2005 omtrent hetgeen medegedetineerde [medegedetineerde 1] zou hebben verklaard en verder een meldingsformulier opgemaakt door PIW-er [bewaker 2] gedateerd 5 februari 2005 omtrent hetgeen medegedetineerde [medegedetineerde 2] tegen hem zou hebben verklaard. Een aantal PIW-ers, waaronder genoemde [bewaker 1] en [bewaker 2], hebben voorts hun verklaringen bij de rechter-commissaris - eveneens in het bijzijn van de raadsman van verdachte - herhaald en bevestigd. Ook hier is de rechtbank niet gebleken van enig belang van deze getuigen om in strijd met de waarheid belastend tegen verdachte te verklaren. Uit de verklaringen van voormelde getuigen blijkt dat verdachte onder meer heeft gevraagd hoe hij aan springstoffen, semtex, handgranaten en wapens kon komen en dat verdachte geld geboden heeft voor deze informatie. Ook heeft verdachte volgens de getuigen verklaard dat hij het geweldig zou vinden om een heilige dood te sterven en dat hij zichzelf wilde opblazen op een plek waar veel mensen aanwezig zouden zijn. Tevens heeft hij aangegeven dat hij Donner, Hirsi Ali en Wilders wilde doden, omdat zij met hun uitspraken de Islam zouden hebben beledigd. Nu in deze verklaringen niet alleen over verschillende handelingen en plannen van verdachte gesproken wordt, maar ook die handelingen alle passen in eenzelfde beeld omtrent verdachte en diens motieven, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen elkaar ondersteunen en versterken. De rechtbank acht deze verklaringen dan ook voldoende betrouwbaar zodat zij voor het bewijs gebruikt zullen worden. De computer en de USB-stick/MP3-speler Na de aanhouding van verdachte zijn in de woning een computer en een USB-stick/MP3-speler in beslag genomen. De verdachte heeft verklaard dat hij beide in gebruik had. Op de computer is een groot aantal bestanden aangetroffen. Hiervan zijn 117 bestanden, verdeeld over negen verschillende bestandsmappen, aangetroffen die identiek zijn aan de bestanden aangetroffen op de USB-stick. Onder deze mappen is een bestandsmap “Jihad artikelen” en een bestandsmap “Wapens-Explosieven-Voorbereidingen”, waarin onder meer is aangetroffen een aantal geschriften aangeduid als zogenaamde “handboeken” voor het vervaardigen van explosieven en vergiften. Met deze 117 bestanden meegerekend werd op de USB-stick in totaal een 150-tal bestanden (voornamelijk geluid-, beeld- en tekstbestanden) aangetroffen, die onder meer betrekking hadden op de Islam en de Jihad. Uit onderzoek is gebleken dat de bestanden verschillende productiedata hebben, doch alle recentelijk te weten op 20 en 21 maart 2005 op de USB-stick zijn geplaatst. De rechtbank komt tot de conclusie dat de tenlastegelegde bestanden, gezien het instructieve karakter daarvan, mede gelet op de uitlatingen van verdachte en gezien in de context van de overige bestanden op de computer en de USB-stick, bestemd zijn voor het plegen van aanslagen. Aan de verklaring van verdachte dat hij slechts heeft willen uitproberen of hij een document van zijn computer op zijn USB-stick/MP3-speler kon kopiëren en dit elders geopend kon krijgen, hecht de rechtbank geen waarde, nu dit in tegenspraak is met de grote hoeveelheid documenten, die hij heeft gekopieerd, de aard daarvan en het feit dat het niet gaat om de volledige inhoud van één map, maar om een selectie van documenten uit meerdere mappen. Terroristisch oogmerk Bij beantwoording van de vraag of verdachte heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Verdachte heeft tijdens zijn verblijf in de Penitentiaire inrichting “Overmaze” te Maastricht op ondubbelzinnige wijze aan zijn medegedetineerden duidelijk gemaakt voornemens te zijn een aanslag te plegen op politici en een overheidsgebouw, het gebouw van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD), en zichzelf te willen opblazen te midden van een menigte. Hij heeft daarbij actief getracht wapens en explosieven voorhanden te krijgen. Verdachte heeft tot slot na zijn in vrijheidstelling gedetailleerde informatie over het plegen van aanslagen voorhanden gehad, verzameld en gekopieerd. De aard van de informatie en de geschriften in samenhang met het handelen van verdachte en de door hem gedane uitlatingen, rechtvaardigen de conclusie dat verdachte de intentie heeft gehad om misdrijven te plegen met het oogmerk de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen dan wel de fundamentele politieke structuur van Nederland ernstig te ontwrichten. Nu verdachte kort daarvoor zelf nog is veroordeeld voor de bedreiging van een politicus en aldus heeft ondervonden hoe zwaar aan dergelijke uitlatingen wordt getild, acht de rechtbank niet aannemelijk dat het hier slechts gaat om onnadenkend handelen of grootspraak van verdachte. De rechtbank acht aldus het terroristisch oogmerk in feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Gelet op artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht zijn de misdrijven aan te merken als terroristische misdrijven. Strafbare voorbereidingshandelingen De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen van verdachte ervan uit dat aan artikel 96 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht een zelfstandige betekenis toekomt en het bestaan van “samenspanning” als bedoeld in het eerste lid van dat artikel voor de toepassing van dit tweede lid geen constitutieve voorwaarde is. Mutatis mutandis geldt naar het oordeel van de rechtbank een zelfde verhouding ten aanzien van de artikelen 176b en 289a van het Wetboek van Strafrecht. De tenlastegelegde handelingen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank te brengen onder het in het tweede lid van artikel 96 onder sub 1º, sub 2º en sub 3º van het Wetboek van Strafrecht, en kunnen als zodanig worden gekwalificeerd als strafbare voorbereidingshandelingen. Ten aanzien van feit 2 Verdachte ontkent zijn medegedetineerde [medegedetineerde 2] te hebben geronseld voor deelname aan een trainingskamp in Pakistan of Afghanistan en de gewelddadige Jihad. De raadsman heeft naar voren gebracht dat er onvoldoende wettig bewijs voor een bewezenverklaring voorhanden is omdat het bewijs afkomstig is van één bron, te weten de getuige [medegedetineerde 2]. Daarbij heeft de raadsman de betrouwbaarheid van de getuige [medegedetineerde 2] in twijfel getrokken. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank stelt vast dat [medegedetineerde 2] en verdachte gedurende enige tijd beiden gedetineerd waren in de Penitentiaire Inrichting “Overmaze” te Maastricht. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte en [medegedetineerde 2] aldaar zodanig gelucht werden dat communicatie tussen beiden mogelijk was. [Medegedetineerde 2] heeft verklaard dat verdachte hem op 5 februari 2005 tijdens het luchten heeft gevraagd deel te nemen aan trainingskampen in Afghanistan of Pakistan in het kader van de gewelddadige Jihad. [Medegedetineerde 2] heeft dit nog dezelfde dag gemeld aan de PIW-er [bewaker 2]. Vervolgens heeft [bewaker 2] hiervan officieel melding gemaakt aan de directie van de inrichting “Overmaze” omdat hij de verklaring van [medegedetineerde 2] geloofwaardig achtte. [Bewaker 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 5 februari 2005 [medegedetineerde 2] met anderen, waaronder verdachte, heeft zien praten op de luchtplaats. [Medegedetineerde 2] heeft zijn verklaring op hoofdlijnen bevestigd bij de politie en tijdens het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 30 juni 2005. Gesteld noch gebleken is dat [medegedetineerde 2] enig belang zou hebben bij het herhaaldelijk afleggen van een onjuiste belastende verklaring jegens verdachte. De rechtbank acht gezien het bovenstaande en dus anders dan de verdediging, de verklaring van de getuige [medegedetineerde 2] betrouwbaar. De verklaring van de getuige [medegedetineerde 2] in combinatie met de eigen bevindingen van de PIW-er [bewaker 2] acht de rechtbank voldoende om tot wettig en overtuigend bewijs van het onder 2 tenlastegelegde feit te concluderen. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat er geen sprake is van werven (overreden) in de zin van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de raadsman heeft verdachte [medegedetineerde 2] slechts gevraagd mee te gaan naar een trainingskamp in Afghanistan. Anders dan de raadsman leidt de rechtbank uit de verklaring van [medegedetineerde 2] af dat verdachte [medegedetineerde 2] niet enkel heeft gevraagd aan de gewapende strijd deel te nemen, maar ook daadwerkelijk heeft getracht hem hiertoe te overreden door het sterven als martelaar in de strijd tegen het Westen te verheerlijken. De handelingen van verdachte vallen derhalve onder het bepaalde in het gewijzigde artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht. STRAFBAARHEID FEITEN De bewezen feiten leveren op: 1. met het oogmerk om - moord, te begaan met een terroristisch oogmerk; - doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk; - opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft, te begaan met een terroristisch oogmerk; voor te bereiden en te bevorderen: - een ander trachten te bewegen om het misdrijf te plegen om daartoe middelen en inlichtingen te verschaffen en - middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich trachten te verschaffen en - voorwerpen, voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf. 2. zonder toestemming van de Koning, iemand voor gewapende strijd werven. De feiten zijn strafbaar. STRAFBAARHEID VERDACHTE De verdachte is strafbaar. STRAFMOTIVERING De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven. Verdachte heeft in de periode dat hij wegens bedreiging van een kamerlid gedetineerd was in een penitentiaire inrichting aan medegedetineerden gevraagd hoe hij aan springstoffen (semtex) en wapens (waaronder handgranaten) kon komen en hen voor deze informatie geld geboden. Verdachte heeft daarbij aangegeven het geweldig te vinden om de heilige dood te sterven door zichzelf op te blazen op een plaats waar veel personen aanwezig zijn, een overheidsgebouw, met name dat van de AIVD op te willen blazen, en in de publiciteit staande politici te willen doden. Verdachte heeft na zijn detentie geschriften met radicaal islamitisch gedachtegoed en informatie bestemd voor het plegen van terroristische misdrijven voorhanden gehad, geopend en selecties daarvan gekopieerd op zijn USB-stick. In de op verdachte’s computer aangemaakte directory genaamd “Wapens, Explosieven en Voorbereidingen” bevonden zich diverse handboeken voor het vervaardigen en gebruik van explosieven en vergiften. Deze handboeken bevatten systematische instructies en praktische trainingen voor het maken van explosieven en het gebruik van wapens. De door verdachte beoogde terroristische misdrijven behoren tot de ernstigste misdrijven die de Staat, de samenleving en de democratische staatsinrichting in ernstige mate bedreigen. Het ging immers om het met gebruikmaking van springstof of explosieven zichzelf opblazen, dan wel het plegen van een of meer aanslagen op personen of gebouwen waarmee inbreuk op het menselijk leven van anderen gemaakt zou worden en gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt zou worden. Deze ernstige feiten dienen er toe (een deel van) de Nederlandse bevolking ernstige vrees aan te jagen en/of de politieke en constitutionele structuren van de overheid van Nederland te ontwrichten of te vernietigen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rekruteren voor de gewapende strijd. Verdachte heeft daartoe een medegedetineerde benaderd met de vraag of hij mee wilde gaan naar een trainingskamp in Pakistan of Afghanistan, of hij - net als hijzelf - als martelaar wilde sterven en wilde toetreden tot de groep die wil gaan strijden tegen het Westen en mee wilde doen aan de gewelddadige Jihad. Verdachte heeft zich door zijn handelen buiten de realiteit van de democratische maatschappij gesteld en zo onder meer zijn minachting voor de Nederlandse samenleving kenbaar gemaakt. Hij heeft daarbij blijk gegeven geen respect te hebben voor andersluidende opvattingen en geen mededogen te kennen voor de potentiële slachtoffers van zijn voorgenomen daden. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, gedateerd 31 januari 2006, op 12 maart 2005 werd veroordeeld wegens bedreiging tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en verdachte de onderhavige feiten nota bene pleegde gedurende het ondergaan van de hem in dit kader opgelegde gevangenisstraf. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte geenszins van plan is geweest om zich van het plegen van soortgelijke feiten te onthouden. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 83, 83a, 96 lid 2, 176b, 205, 288a en 289a van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING: De rechtbank: - verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; - stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; - verklaart de verdachte strafbaar; - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren; - beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. Rutten, voorzitter, en mrs. Van de Grampel en Soffers, rechters, in tegenwoordigheid van Nederlof, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 februari 2006.