Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV1713

Datum uitspraak2006-02-17
Datum gepubliceerd2006-02-17
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers39602
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 219, art. 220f, art. 220g Gemeentewet (tekst 2001). Verschil OZB-tarieven woningen en niet-woningen resp. eigenaren en gebruikers.


Uitspraak

Nr. 39.602 17 februari 2006 AZ gewezen op het beroep in cassatie van B.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 januari 2003, nr. P02/05147, betreffende na te melden aanslagen in de onroerendezaakbelastingen. 1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2001 wegens het genot krachtens zakelijk recht van de onroerende zaken a-straat 1, a-straat 2 en a-straat 3 te Z drie op één biljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam opgelegd naar een heffingsgrondslag van respectievelijk ƒ 408.000, ƒ 445.000 en ƒ 445.000. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt. Vervolgens is belanghebbende bij het Hof in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op dit bezwaar. Het Hof heeft het beroep opgevat als mede strekkende tot vernietiging van de aanslagen, en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: B en W) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. B en W hebben een conclusie van dupliek ingediend. 3. Beoordeling van de middelen 3.1.1. Voor het Hof was in de eerste plaats in geschil of de in de Verordening Onroerendezaakbelastingen 2001 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) vastgestelde tarieven onverbindend zijn op de door belanghebbende gestelde grond dat de mate waarin de tarieven voor niet-woningen afwijken van de tarieven voor woningen (hierna: de tariefdifferentiatie) meer bedraagt dan de toegestane marge zoals bedoeld in artikel 220f, lid 4, van de Gemeentewet (tekst 2001: hierna; de Wet). In dit verband stond met name ter discussie of de door de gemeente toegepaste tariefdifferentiatie van (bijna) 169 percent de bovengrens van die marge overschrijdt. Die bovengrens wordt ingevolge artikel 220f, lid 4, van de Wet gesteld op het tijdvakpercentage zoals bedoeld in artikel 220f, lid 3, letter g, van de Wet, verhoogd met tien procentpunten. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de gemeente toegepaste tariefdifferentiatie binnen de door de Wet toegestane marge blijft. 3.1.2. Belanghebbende heeft in haar conclusie van repliek een aantal motiveringsklachten aangevoerd tegen de wijze waarop het Hof het tijdvakpercentage heeft berekend. Op deze klachten, die nog niet waren aangevoerd in het beroepschrift in cassatie noch in het geschrift waarin het cassatieberoep is gemotiveerd, maar pas na afloop van de termijn voor het motiveren van het beroepschrift in cassatie ter kennis van de Hoge Raad zijn gebracht, slaat de Hoge Raad geen acht (vgl. HR 11 april 2003, nr. 38281, BNB 2003/213). 3.1.3. Middel I bevat als centrale klacht dat het Hof, nu het heeft vastgesteld dat de door de gemeente toegepaste berekeningswijze van het tijdvakpercentage onjuist is, daaraan het gevolg had moeten verbinden dat aan de Verordening de rechtsgrond is ontvallen. Deze klacht faalt. Het Hof heeft (in onderdeel 6.6) zelfstandig het tijdvakpercentage berekend op de wijze als bepaald in artikel 220f, lid 3, letter g, van de Wet en vervolgens (in onderdeel 6.7) op grond daarvan de bovengrens van de marge als bedoeld in artikel 220f, lid 4, van de Wet berekend op ruim 183 percent, waarna het Hof heeft geconcludeerd dat de door de gemeente toegepaste tariefdifferentiatie binnen die marge blijft. De juistheid van dit een en ander is noch in het cassatieberoepschrift noch in het geschrift waarin het cassatieberoep is gemotiveerd aangevochten, zodat in cassatie van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Gelet daarop kan de omstandigheid dat de gemeente ter berekening van de toegestane marge een onjuiste berekeningswijze voor het tijdvakpercentage heeft gehanteerd, niet meebrengen dat de Verordening onverbindend is, aangezien de door de gemeente toegepaste tariefdifferentiatie binnen de door de Wet toegestane marge blijft. 3.1.4. Ook de overige klachten van middel I kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.2.1. Voor het Hof was in de tweede plaats in geschil of de gemeente bij de vaststelling van het tarief voor eigenaren in strijd met artikel 219 van de Wet heeft gehandeld. Het Hof heeft vastgesteld dat het tarief voor eigenaren zowel bij woningen als bij niet-woningen minder dan 125 percent hoger is dan het tarief voor gebruikers, en geoordeeld dat het tarief voor eigenaren daarmee binnen de ingevolge artikel 220g van de Wet toegestane grenzen blijft. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat, nu de tarieven worden toegepast op elke volle ƒ 5000 van de heffingsmaatstaf, die voor eigenaren en gebruikers gelijk is, niet valt in te zien dat hier sprake is van een door de Wet verboden belastingheffing van eigenaren omdat deze afhankelijk is gesteld van het vermogen. 3.2.2. Middel II komt tegen laatstgenoemd oordeel op met het betoog, dat de opbrengsten van de onroerendezaakbelasting voor eigenaren - vanwege een hoger totaal aan heffingsgrondslagen voor eigenaren dan voor gebruikers - méér dan 125 percent (namelijk 132 percent) hoger zijn dan de opbrengsten van deze belasting voor gebruikers, en dat aldus sprake is van een belastingheffing die afhankelijk is van draagkracht of vermogen en die derhalve in strijd is met doel en strekking van artikel 219, lid 2, en 220g van de Wet, dan wel met de algemene rechtsbeginselen. 3.2.3. De wetgever heeft uitdrukkelijk afgezien van limitering van de onroerendezaakbelasting voor eigenaren aan de hand van een maximale opbrengstverhouding tussen de belasting voor eigenaren en die voor gebruikers, en heeft in plaats daarvan gekozen voor een maximale tariefsverhouding zoals vastgelegd in artikel 220g van de Wet (vgl. Kamerstukken II 1987/88, 20 565, nr. 3, blz. 9 en 10). Mede in het licht daarvan is de omstandigheid dat de belastingopbrengsten van de onroerendezaakbelasting voor eigenaren hoger zouden zijn dan die voor gebruikers (hetgeen door meerdere factoren kan worden veroorzaakt, zoals door leegstand of doordat niet van alle onroerende zaken de gebruiker bekend is), onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een belastingheffing naar draagkracht of vermogen die in strijd is met doel en strekking van artikel 219, lid 2, en 220g van de Wet, dan wel van een heffing die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. Middel II faalt derhalve eveneens. 3.3.1. Middel III slaagt evenwel. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat de Inspecteur der Gemeentebelastingen Amsterdam (hierna: de Inspecteur) gehouden was binnen de in artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde termijn van één jaar uitspraak te doen op het bezwaarschrift, dat zulks niet is geschied, en dat belanghebbende tegen het niet tijdig doen van uitspraak beroep heeft ingesteld. In een dergelijk geval ligt het in de rede, ook al leidt het geding niet tot een vermindering van de aanslagen, dat de rechter in de regel gebruik maakt van zijn bevoegdheid het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (HR 8 oktober 2004, nr. 38440, BNB 2004/432). Nu het Hof dit zonder nadere motivering heeft nagelaten, kan zijn uitspraak niet in stand blijven. 3.3.2. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Nu van bijzondere omstandigheden niet blijkt, zal de Inspecteur worden veroordeeld in de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen bij het Hof van een beroepschrift tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar; daarbij wordt de factor gewicht gesteld op 0,25. 4. Proceskosten B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 39601 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 5. Beslissing De Hoge Raad: verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof voorzover daarbij geen vergoeding van proceskosten is toegekend, gelast dat de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 80,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2006.