
Jurisprudentie
AV1792
Datum uitspraak2006-02-10
Datum gepubliceerd2006-02-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200510374/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2006-02-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200510374/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 3 november 2005, kenmerk 935028/B43, heeft verweerder ten aanzien van het geval van verontreiniging op het buitendijkse gebied van IJsseldijk 235 tot 333 ambtshalve de ernst en urgentie vastgesteld. Dit besluit is vanaf 10 november 2005 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200510374/2.
Datum uitspraak: 10 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker] wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2005, kenmerk 935028/B43, heeft verweerder ten aanzien van het geval van verontreiniging op het buitendijkse gebied van IJsseldijk 235 tot 333 ambtshalve de ernst en urgentie vastgesteld. Dit besluit is vanaf 10 november 2005 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2005, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 januari 2006, waar verzoeker, vertegenwoordigd door ing. K. Feenstra, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. Henket en ir. D.J. Meijer, ambtenaren van de DCMR, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het gebied waarop het bestreden besluit betrekking heeft, is een zogeheten zelling met een omvang van 5,7 ha. De zelling wordt begrensd door de primaire waterkering en de rivier en bestaat uit ongeveer 150 percelen. Gedurende een periode van meer dan 100 jaar is het gebied opgehoogd met diverse materialen, terwijl in die periode op delen van de zelling verschillende soorten bedrijfsmatige activiteiten hebben plaatsgevonden. Verzoeker is eigenaar en bewoner van een huis dat is gelegen op één van de percelen, namelijk [locatie].
2.3. Verzoeker betoogt dat ten aanzien van perceel [locatie] geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hij voert hiertoe aan dat in de rapporten van de diverse bodemonderzoeken is aangegeven, dat op dit perceel sprake is van lichte verontreiniging van de bovengrond en dat de situatie van de ondergrond niet bekend is. Ook verder is geen sprake van een geval van verontreiniging dat voldoet aan de wettelijke eis van technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang. Volgens verzoeker is het onder omstandigheden bezwaarlijk dat het perceel [locatie] deel uitmaakt van een geval van ernstige verontreiniging.
2.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming. Volgens hem is voldaan aan de eis dat sprake is van verontreiniging van grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de verontreiniging in de loop van een aantal jaren is ontstaan en dat niet bekend is door wie welke verontreiniging is veroorzaakt. Verder is sprake van dezelfde soort verontreiniging onder meer met zware metalen en is op de gehele zelling sprake is van een heterogene verontreiniging met een grote variatie in concentraties zonder dat sprake is van de aanwezigheid van een kern van die verontreiniging. Mede onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 3 oktober 2001, inzake no. 200000099/1, en 4 september 2002, inzake no. 200106116/1, betoogt verweerder dat in een geval als dit een verontreiniging die aan verschillende veroorzakers is toe te schrijven, als één geval van verontreiniging kan worden beschouwd, indien de gevolgen van de verontreiniging niet kunnen worden toegerekend aan verschillende organisatorische eenheden.
2.5. De Voorzitter overweegt dat de beoordeling van de vraag of verweerder de bodemverontreiniging in de zelling terecht heeft aangemerkt als één geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming, nader onderzoek vergt. De onderhavige procedure leent zich hier echter niet voor. Verder stelt de Voorzitter vast dat het bestreden besluit ziet op de ernst van het geval van verontreiniging en de urgentie van sanering. Het besluit heeft niet rechtstreeks tot gevolg dat mogelijk bezwaarlijke saneringsmaatregelen worden genomen. Voorts is gebleken dat verzoeker geen concrete plannen heeft met betrekking tot zijn perceel. Aangezien de behandeling van de bodemprocedure in de loop van dit jaar zal plaatsvinden, is niet aannemelijk geworden dat verzoeker de behandeling van de bodemprocedure niet kan afwachten.
2.6. Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Sparreboom
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2006
191.

