Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV1835

Datum uitspraak2006-02-10
Datum gepubliceerd2006-02-15
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 560/04 Inkomstenbelasting
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de hiervoor onder 2.5 genoemde boekwinst bij de vervreemding van de inventaris in de in 2.7 onder a genoemde herinvesteringsreserve kan worden ondergebracht.


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: BK 560-04 10 februari 2006 Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord kantoor Emmen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (: IB/PH), de aanslag in de premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (: WAZ) en de aanslag in de premie Ziekenfondswet (: ZFW) voor zelfstandigen, steeds over het jaar 2002. 1. Ontstaan en loop van het geding. 1.1 Met dagtekening 20 april 2004 zijn aan de belanghebbende voor het jaar 2002 bovengenoemde aanslagen opgelegd naar respectievelijk een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (: Wet IB) van € 20.623,-, een premie-inkomen WAZ van € 6.294,- en een ZFW-grondslag van € 19.268,-. 1.2 Belanghebbende heeft tegen voormelde aanslagen tijdig een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraken van 25 mei 2004 belanghebbendes bezwaren ten aanzien van de IB/PH en de premie ZFW ongegrond verklaard. Ten aanzien van het bezwaar tegen de premie WAZ heeft hij geen uitspraak gedaan omdat de WAZ grondslag toch al nihil was. 1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken een beroepschrift (met bijlagen) ingediend dat op 2 juli 2004 bij het gerechtshof is ingekomen. Van de inspecteur is op 14 oktober 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen. 1.4 De zaak is behandeld ter zitting van 19 december 2005, gehouden te Leeuwarden. Aldaar is verschenen namens de inspecteur de heer A. De griffier heeft belanghebbendes gemachtigde bij aangetekende brief met handtekening retour uitgenodigd voor de zitting met kennisgeving van plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling. De griffier heeft verklaard dat de retourkaart getekend terug is gekomen. De gemachtigde is niet verschenen. De inspecteur heeft op verzoek van de griffier bij brief van 20 januari 2006 nog de voorlopige aanslag premie WAZ, de aanslag in de premie WAZ en de aanslag in de premie ZFW ingezonden. Om reden van proceseconomie zijn deze niet naar belanghebbende gezonden. Aangenomen moet immers worden dat zij deze stukken kent. 1.5 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten. Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast. 2.1 Belanghebbende is geboren op 8 augustus 1957 en was het gehele jaar gehuwd. 2.2 Belanghebbende oefende in Z op het adres a-straat 119a een cafébedrijf uit onder de naam "B". 2.3 De uitoefening van dit bedrijf vond plaats in een gehuurd pand. 2.4 De onderneming was gestart op 2 februari 1999 en werd beëindigd op 31 december 2002. 2.5 Bij de staking van het bedrijf werd bij de vervreemding van de inventaris een boekwinst behaald van € 24.545,-. 2.6 Staking van de onderneming vond niet plaats als gevolg van overheidsingrijpen. 2.7 Het belastbare inkomen over 2002 is als volgt berekend. In de aangifte is vermeld: Winst uit onderneming € 10.223,- Correcties inspecteur a. geen herinvesteringsreserve toegestaan € 24.545,- b. stakingsaftrek door belanghebbende bijgeteld in plaats van afgetrokken; correctie 2 x € 7.987,- ofwel neg. € 15.974,- c. geen startersaftrek € 1.829,- vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 20.623,-. 3. Het geschil en standpunten van partijen 3.1 Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de hiervoor onder 2.5 genoemde boekwinst bij de vervreemding van de inventaris in de in 2.7 onder a genoemde herinvesteringsreserve kan worden ondergebracht. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. 3.3 Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. 4. De overwegingen omtrent het geschil 4.1 Het hof is van oordeel, gelet op het onder 2.4 en 2.5 vermelde, in onderling verband en samenhang beschouwd, dat aangenomen moet worden dat belanghebbende haar onderneming, welke zij dreef onder de naam "B”, op 31 december 2002 heeft gestaakt. 4.2 De herinvesteringsreserve kan, anders dan belanghebbende meent, niet worden toegepast over de stakingsgrens heen. Dit is duidelijk bij de parlementaire behandeling van artikel 3.54 Wet IB naar voren gekomen. 4.3 Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij voornemens was en is om - zodra zich een verantwoord soort van handel voordoet - zich wederom als zelfstandig ondernemer te vestigen en dat zij zich georiënteerd heeft op de verkoop van zogenoemde 'grote' kledingmaten. Deze stelling, wat daar overigens van zij, kan er echter niet toe leiden dat geen staking zou moeten worden aangenomen. 4.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de (niet gedane) uitspraak inzake de premie WAZ en overigens ongegrond moet worden verklaard. 5. Proceskosten Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. De beslissing Het hof verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de (niet gedane) uitspraak inzake de premie WAZ en verklaart het beroep overigens ongegrond. Gedaan op 10 februari 2006 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. G.M. van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier. Op 15 februari 2006 afschrift per aangetekende post verzonden aan beide partijen.