Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV1869

Datum uitspraak2006-02-10
Datum gepubliceerd2006-02-15
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers05/2668
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Begunstigingstermijn bij het opleggen van een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreder in de gelegenheid te stellen de opgelegde last uit te voeren zonder dat de dwangsom wordt verbeurd. Termijn van ongeveer vijf maanden in dit geval te lang voor het beeindigen van gebruik in strijd met de bestemming.


Uitspraak

Rechtbank Alkmaar Sector Bestuursrecht Voorzieningenrechter UITSPRAAK op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr: GEMWT 05/2668 Inzake: [verzoeker], handelend onder de naam [..], wonende te [plaatsnaam], verzoeker, tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], verweerder. Voorts neemt als partij aan het geding deel: de besloten vennootschap Timmerbedrijf en[timmerbedrijf en houthandel]ndel [..]. 1. Aanduiding bestreden besluit Het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuursdwang en het besluit van verweerder van 6 december 2005, verzonden op 7 december 2005. 2. Zitting Datum: 30 januari 2006. Verzoeker is, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [..], advocaat te [plaatsnaam]. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden [..] en [..], werkzaam bij verweerders gemeente. Namens [timmerbedrijf en houthandel] is verschenen [directeur-grootaandeelhouder timmerbedrijf en houthandel], directeur-grootaandeelhouder. Voorts is verschenen [..] namens de Stichting Bedrijven in Beweging. 3. Ontstaan en loop van het geding Bij brieven van 21 juli 2004, 5 augustus 2005 en 27 september 2005 heeft verzoeker verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de exploitatie van een ‘[winkel]’ op het adres [straatnaam] te [plaatsnaam]. Bij brief van 1 november 2005 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om handhavend optreden. Bij brief van eveneens 1 november 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om ten aanzien van het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om handhaving toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij besluit van 6 december 2005, verzonden op 7 december 2005, heeft verweerder de besloten vennootschap Timmerbedrijf en houthandel [..] (hierna: [timmerbedrijf en houthandel]) een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het beëindigen van het tentoonstellen en verkopen van babyartikelen op het perceel kadastraal bekend [plaatsnaam], sectie [..], nummer [..], plaatselijk bekend [straatnaam] te [plaatsnaam]. De dwangsom is vastgesteld op een bedrag van € 5.000,00 per week, tot een maximum van € 100.000,00. De dwangsom zal worden verbeurd, indien [timmerbedrijf en houthandel] niet vóór 1 juni 2006 aan de last heeft voldaan. Bij brief van 14 december 2005 heeft de voorzieningenrechter verzoeker meegedeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van verweerder van 6 december 2005. Bij brief van 12 december 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het verzoek ter zitting van 30 januari 2006 behandeld. Ter zitting heeft [..] de voorzieningenrechter verzocht de Stichting Bedrijven in Beweging in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. De voorzieningenrechter heeft dit laatste verzoek afgewezen. 4. Motivering 4.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure die mogelijkerwijs volgt. 4.2 Het gaat in deze zaak om het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuursdwang tegen [timmerbedrijf en houthandel] en het besluit waarbij [timmerbedrijf en houthandel] een last onder dwangsom wordt opgelegd in verband met het in strijd met de bestemming exploiteren van een [winkel] op het adres [straatnaam] te [plaatsnaam]. 4.3 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 4.4 De voorzieningenrechter stelt vast dat [timmerbedrijf en houthandel] is gevestigd in [plaatsnaam] en dat [timmerbedrijf en houthandel] babyartikelen verkoopt, zoals babykamers, wandelwagens en cadeauartikelen. Verzoeker is gevestigd in [plaatsnaam] en verkoopt eveneens babyartikelen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de assortimenten van verzoeker en [timmerbedrijf en houthandel] elkaar dusdanig overlappen, dat verzoeker als een concurrent van [timmerbedrijf en houthandel] moet worden aangemerkt. De bedrijven van verzoeker en [timmerbedrijf en houthandel] zijn ongeveer tien kilometer van elkaar verwijderd. Niet in geschil is dat in de directe omgeving slechts twee andere bedrijven zijn gevestigd die babyartikelen verkopen. Hiermee acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat, mede in aanmerking nemend de aard van het assortiment, verzoeker en [timmerbedrijf en houthandel] in hetzelfde verzorgingsgebied actief zijn en zich tot dezelfde klantenkring richten. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoeker kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Ten aanzien van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om handhaving: 4.5 Op 1 november 2005 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om handhaving. In de loop van het geding heeft verweerder alsnog een beslissing op het verzoek genomen en hiermee is hij aan de in bezwaar aangevoerde grieven in zoverre tegemoetgekomen. Gelet hierop zal verweerder het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing wegens verlies aan belang niet-ontvankelijk verklaren. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom in zoverre te worden afgewezen. Onder toepassing van artikel 6:20, vierde lid van de Awb worden het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 december 2005. Ten aanzien van het besluit van verweerder van 6 december 2005: 4.6 Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen. Ingevolge het vijfde lid wordt in een beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. 4.7 Bij het bestreden besluit heeft verweerder [timmerbedrijf en houthandel] een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het beëindigen van het tentoonstellen en verkopen van babyartikelen en meubelen, omdat deze activiteiten in strijd zijn met de bestemming “houthandel”. Daarbij heeft verweerder de begunstigingstermijn als bedoeld in artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb gesteld tot 1 juni 2006. 4.8 Niet in geschil is dat er op het perceel [straatnaam] te [plaatsnaam] sprake is van gebruik in strijd met de bestemming en dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom. Evenmin is in geschil dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. 4.9 Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit, omdat hij niet inziet dat [timmerbedrijf en houthandel] een begunstigingstermijn tot 1 juni 2006 moet worden geboden. [timmerbedrijf en houthandel] heeft volgens verzoeker ruimschoots de tijd gehad om haar illegale activiteiten te staken. 4.10 Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat het pand waar [timmerbedrijf en houthandel] haar detailhandelsactiviteiten wil voortzetten nog moet worden opgeleverd en worden verbouwd alvorens het bedrijf kan worden verplaatst. Verweerder heeft voorts aangegeven dat er geen omstandigheden zijn die een dermate spoedeisend karakter hebben dat de begunstigingstermijn tot 1 juni 2006 niet aan [timmerbedrijf en houthandel] kan worden gegund. 4.11 De voorzieningenrechter overweegt dat gelet op artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb en vaste rechtspraak de begunstigingstermijn er slechts toe dient de overtreder in de gelegenheid te stellen de opgelegde last onder dwangsom uit te voeren zonder dat de dwangsom wordt verbeurd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AT3242). In het onderhavige geval kan het gebruik in strijd met de bestemming – het exploiteren van een ‘[winkel]’ – eenvoudig en direct worden beëindigd door de deur voor het publiek te sluiten en gesloten te houden, dan wel de tentoongestelde babyartikelen te verwijderen en de verkoop van die artikelen te staken. Anders dan verweerder kennelijk heeft aangenomen, kan de begunstigingstermijn er niet toe dienen [timmerbedrijf en houthandel] in de gelegenheid te stellen de oplevering van een nieuw pand af te wachten. Het feit dat het beëindigen van de exploitatie organisatorische en financiële gevolgen voor [timmerbedrijf en houthandel] heeft, kan ook niet leiden tot een langere begunstigingstermijn. Deze gevolgen dienen voor rekening en risico van [timmerbedrijf en houthandel] te blijven, die het pand in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. Gelet op het voorgaande is de gestelde begunstigingstermijn langer dan noodzakelijk om aan de last gevolg te geven, zodat geen sprake is van een reële begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het besluit van 6 december 2005 wegens strijd met artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 4.13 De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces-kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2,00 (punten voor het opstellen van het verzoekschrift en voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld). 5. Beslissing De voorzieningenrechter, - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 6 december 2005, uitsluitend voor zover het de begunstigingstermijn voor de last onder dwangsom betreft; - treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn voor de last onder dwangsom wordt gesteld op vier weken na de uitspraak op 31 januari 2006; - bepaalt dat de gemeente [woonplaats] aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van € 138,00 vergoedt; - veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00; - wijst de gemeente [woonplaats] aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden; - bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan verzoeker. Aldus gewezen door mr. [..], voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van mr. [..], als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2006 door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van de griffier. De griffier, De voorzieningenrechter, Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.