Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV1884

Datum uitspraak2006-02-02
Datum gepubliceerd2006-02-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers11/088275-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Rechtbank veroordeelt een 39-jarige verdachte tot een gevangenisstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij twee mensen zijn gedood. Gebleken is dat de verdachte te hard heeft gereden, doch dat verdachte niet zodanig hard heeft gereden dat dit als roekeloos verkeersgedrag valt aan te merken. De rechtbank verwijt de verdachte met name dat hij naar eigen zeggen vaker te hard rijdt, omdat verdachte daarmee heeft aangetoond te lijden aan een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van zijn medeweggebruikers.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Tegenspraak Parketnummer: 11/088275-04 Zittingsdatum : 20 januari 2006 Uitspraak : 2 februari 2006 VERKORT STRAFVONNIS De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres], [woonplaats]. De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. 1. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 6 november 2004 te Heinenoord, gemeente Binnenmaas, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de "westzijde" van de Rijksweg A 29, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers heeft hij, verdachte, met een snelheid gelegen tussen de 157 km/p/u en 165 km/p/u, althans met een (zeer) hoge snelheid in elk geval een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 120 kilometer per uur, met dat door hem, verdachte bestuurd motorrijtuig over de linkerrijstrook van voornoemde weg gereden, en/of heeft hij verdachte (vervolgens) niet tijdig (af) geremd achter een vóór hem op dezelfde rijstrook in dezelfde richting als verdachte, rijdende personenauto van het merk Peugeot, type 307, (mede) waardoor hij, verdachte, met de voorzijde van het door hem bestuurde motorrijtuig tegen de (rechter)achterzijde van die vóór hem, verdachte, in dezelfde richting rijdende personenauto van het merk Peugeot, type 307 is aangereden, althans gebotst, ten gevolge van welke aanrijding/botsing tussen het door hem verdachte bestuurde motorrijtuig en die personenauto van het merk Peugeot type 307,die personenauto van het merk Peugeot, type 307 in een slip is geraakt en/of vervolgens tegen een op de rechterrijstrook van voornoemde weg, in dezelfde richting als die personenauto van het merk Peugeot type 307, rijdende personenauto van het merk Toyota, type Avensis is aangereden en/of gebotst, waarna die Peugeot 307 en die Toyota Avensis (al slippend) naar de rechterzijde van de rijbaan zijn gereden, althans geschoven, en vervolgens in een aan de rechterzijde van voornoemde weg gelegen sloot zijn terechtgekomen, ten gevolge waarvan de inzittenden van die Toyota Avensis, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], werden gedood. SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 06 november 2004 te Heinenoord, gemeente Binnenmaas, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A 29, met een snelheid gelegen tussen de 157 km/p/u en 165 km/p/u, althans met een (zeer) hoge snelheid in elk geval een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 120 kilometer per uur, met dat door hem, verdachte bestuurd motorrijtuig over de linkerrijstrook van voornoemde weg heeft gereden, en/of heeft hij verdachte (vervolgens) niet tijdig (af) geremd achter een vóór hem op dezelfde rijstrook in dezelfde richting als verdachte, rijdende personenauto van het merk Peugeot, type 307, (mede) waardoor hij, verdachte, met de voorzijde van het door hem bestuurde motorrijtuig tegen de (rechter)achterzijde van die vóór hem, verdachte, in dezelfde richting rijdende personenauto van het merk Peugeot, type 307 is aangereden, althans gebotst, ten gevolge van welke aanrijding/botsing tussen het door hem verdachte bestuurde motorrijtuig en die personenauto van het merk Peugeot type 307,die personenauto van het merk Peugeot, type 307 in een slip is geraakt en/of vervolgens tegen een op de rechterrijstrook van voornoemde weg, in dezelfde richting als die personenauto van het merk Peugeot type 307, rijdende personenauto van het merk Toyota, type Avensis is aangereden en/of gebotst, waarna die Peugeot 307 en die Toyota Avensis (al slippend) naar de rechterzijde van de rijbaan zijn gereden, althans geschoven, en vervolgens in een aan de rechterzijde van voornoemde weg gelegen sloot zijn terechtgekomen, (ten gevolge waarvan de inzittenden van die Toyota Avensis, genaamd [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2], werden gedood). door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd 2. De voorvragen 2.1 De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 2.2 De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. 2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. 2.4 De schorsing van de vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken. 3. Het onderzoek ter terechtzitting 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting. 3.2 De verdediging De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd. 4. De bewijsbeslissingen 4.1 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte 1. op of omstreeks 6 november 2004 te Heinenoord, gemeente Binnenmaas, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de "westzijde" van de Rijksweg A 29, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, onvoorzichtig, te rijden, immers heeft hij, verdachte, met een snelheid gelegen tussen de 157 km/p/u en 165 km/p/u, met dat door hem, verdachte bestuurd motorrijtuig over de linkerrijstrook van voornoemde weg gereden, en heeft hij verdachte vervolgens niet tijdig geremd achter een vóór hem op dezelfde rijstrook in dezelfde richting als verdachte, rijdende personenauto van het merk Peugeot, type 307, mede waardoor hij, verdachte, met de voorzijde van het door hem bestuurde motorrijtuig tegen de rechterachterzijde van die vóór hem, verdachte, in dezelfde richting rijdende personenauto van het merk Peugeot, type 307 is aangereden, ten gevolge van welke aanrijding tussen het door hem verdachte bestuurde motorrijtuig en die personenauto van het merk Peugeot type 307,die personenauto van het merk Peugeot, type 307 in een slip is geraakt en vervolgens tegen een op de rechterrijstrook van voornoemde weg, in dezelfde richting als die personenauto van het merk Peugeot type 307, rijdende personenauto van het merk Toyota, type Avensis is gebotst, waarna die Peugeot 307 en die Toyota Avensis al slippend naar de rechterzijde van de rijbaan zijn geschoven, en vervolgens in een aan de rechterzijde van voornoemde weg gelegen sloot zijn terechtgekomen, ten gevolge waarvan de inzittenden van die Toyota Avensis, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], werden gedood. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Met betrekking tot de mate van schuld van verdachte aan het ongeval overweegt de rechtbank dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar naar voren is gekomen dat verdachte ongeveer 40 kilometer te hard heeft gereden op een weg met verschillende medeweggebruikers, terwijl hij door middel van borden was gewaarschuwd dat ter plaatse nieuw wegdek was geplaatst, tengevolge waarvan bestuurders rekening moesten houden met een langere remweg, doch dat verdachte niet zodanig excessief hard heeft gereden dat dit als roekeloos verkeersgedrag valt aan te merken. Bovendien heeft verdachte op het moment dat hij de verkeerssituatie als zodanig overzag, geprobeerd een ongeval te voorkomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de ter zake doende omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de lichtere vorm van strafrechtelijk relevante schuld, te weten dat hij zeer onvoorzichtig heeft gereden, kan worden verweten aan het fatale ongeval. Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4.2 Nadere bewijsoverweging De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het causale verband tussen het al dan niet tijdige remmen van verdachte en de aanrijding met de Peugeot 307 ontbreekt, omdat dit verband gelegen is in de inhaalmanoeuvre van de bestuurder van de Peugeot 307 en de aanrijding met verdachte. Gelet op het feit dat de bestuurder van de Peugeot 307 een groot aandeel aan het ongeval heeft gehad en er derhalve sprake is van medeschuld van deze bestuurder, kan het ongeval aan verdachte niet in redelijkheid toegerekend worden. De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is gebleken en overweegt daarbij in het bijzonder dat verdachte, mocht de bestuurder van de Peugeot 307 al geen richting hebben aangegeven, terwijl hij van baan wisselde, hetgeen overigens alleen door verdachte en diens bijrijder wordt verklaard, met een lagere snelheid op het verkeersgedrag van deze bestuurder had kunnen anticiperen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de snelheid van de bedoelde Peugeot 307 ten tijde van de wisseling van baan 115 tot 112 kilometer per uur is geweest. Nu verdachte ten gevolge van de aanzienlijke snelheid waarmee hij reed niet meer tijdig kon remmen en zo de onderhavige aanrijding veroorzaakte, is het door de raadsman betwiste causale verband wel degelijk aanwezig. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het aangeven van richting in een gelijke verkeerssituatie, gelet op de door verdachte gereden snelheid in verhouding tot de snelheid die de bestuurder van de Peugeot 307 heeft gereden, evenmin had kunnen voorkomen dat verdachte tijdig had kunnen afremmen. De rechtbank is daarom van oordeel dat van medeschuld van de bestuurder van de Peugeot 307, waardoor het ongeval niet in redelijkheid aan verdachte toegerekend zou kunnen worden, geen sprake kan zijn. 4.3 De bewijsmiddelen De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen. 5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Het bewezenverklaarde levert op: OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994, TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER WORDT GEDOOD, MEERMALEN GEPLEEGD. 6. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid 7.1 Strafmotivering De rechtbank heeft de op te leggen straf en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto zeer onvoorzichtig over de snelweg gereden. Hij heeft daardoor een zeer ernstig ongeval veroorzaakt tengevolge waarvan twee dodelijk slachtoffers uit één familie zijn te betreuren. Verdachte heeft al rijdende de maximumsnelheid op voornoemde weg, alsmede de borden die hem waarschuwden voor de ter plaatse geldende langere remweg ten gevolge van het nieuwe wegdek, genegeerd. Meerdere weggebruikers hebben bovendien verklaard dat de auto die verdachte bestuurde hen opviel door de hoge snelheid waarmee deze reed en diens vreemde rijgedrag. Eén getuige heeft zelfs verklaard dat verdachte haar op genoemde weg sneed ten einde zijn weg op de juiste rijbaan te kunnen vervolgen. Verdachte heeft door zijn rijgedrag niet meer tijdig kunnen remmen en is vervolgens met aanzienlijke snelheid tegen de Peugeot 307 aangereden, waarna deze tegen de Toyota Avensis van de slachtoffers is gebotst. Ten gevolge hiervan zijn beide laatstgenoemde auto's in een slip geraakt en in de sloot langs de weg terechtgekomen. De twee inzittenden van de Toyota zijn als gevolg van het ongeval overleden. Verdachte is dan ook tekort geschoten in zijn verkeersgedrag, waarvoor hij als verklaring enkel gaf dat hij te laat was voor een feestje. Het gegeven dat verdachte naar eigen zeggen vaker te hard, maar doorgaans niet harder dan 30 kilometer te hard, rijdt wordt hem door de rechtbank met name verweten, omdat verdachte daarmee heeft aangetoond te lijden aan een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van zijn medeweggebruikers. Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de duur daarvan houdt de rechtbank tevens rekening met de mate van schuld van verdachte aan het ongeval, de fatale gevolgen van het ongeval voor de direct en indirect betrokkenen, en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken. Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en het tijdsverloop tussen het ongeval en de behandeling van de zaak ter terechtzitting. In die zin gaat de rechtbank bij haar strafbepaling uit boven de eis van de officier van justitie die zich in zijn eis heeft gebaseerd op de zwaardere vorm van strafrechtelijke relevante schuld, te weten roekeloos verkeersgedrag. Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie ten aanzien van gevorderde vrijheidsstraf recht doen aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de mate van schuld van verdachte. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw de bijzonder ernstige gevolgen die het zeer onvoorzichtige handelen van verdachte hebben gehad, zoals deze ook blijken uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en hetgeen door hen hieromtrent ter terechtzitting is verklaard. Tekenend daarbij is dat verdachte na het ongeval niets van zich heeft laten horen. De rechtbank acht het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook zonder meer passend en geboden. De rechtbank zal, zoals dit ook is gevorderd door de officier van justitie, een gedeelte van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen. Tevens zal de rechtbank - ter beveiliging van het verkeer en de weggebruikers - aan verdachte een forse ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Gelet op de verklaringen van verdachte omtrent de snelheid waarmee hij doorgaans rijdt, zal de rechtbank een gedeelte van deze ontzegging voorwaardelijk opleggen. 8. De toepasselijke wettelijke voorschriften De opgelegde straf en bijkomende straf zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften: artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 9. De beslissing De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis; verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert; verklaart de verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot: een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF MAANDEN; bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten drie maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; een ONTZEGGING VAN DE BEVOEGDHEID TOT HET BESTUREN VAN MOTORRIJTUIGEN voor de duur van VIER JAREN; bepaalt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, te weten één jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde voor het tijdstip waarop deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van genoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. H.W. Bezemer, voorzitter, mr. dr. R.J. Verschoof en mr. drs. Th.E.M. Wijte, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.K. Magnin, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 februari 2006.