Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2103

Datum uitspraak2006-02-13
Datum gepubliceerd2006-02-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 05/3877 en 05/2178
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat sprake is van een bouwplan dat onder de eerste categorie valt van de Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening van 12 november 2002 van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht. Verweerder heeft in overeenstemming met deze Circulaire gehandeld nu sprake is van een project dat in overeenstemming is met door GS aanvaard gemeentelijk beleid en verweerder heeft terecht de vrijstellingsprocedure van artikel 19, tweede lid, van de WRO toegepast. Er is geen grond voor het oordeel dat de aanwijzing van projecten die passen in een ruimtelijk document waarmee GS, zoals in dit geval hebben ingestemd, zich niet verdraagt met artikel 19, tweede lid, van de WRO. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht Reg. nrs.: SBR 05/3877 en 05/2178 Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geding tussen: [eiser] e.a., allen wonende te Vinkenveen, e i s e r s, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, v e r w e e r d e r. 1. INLEIDING 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 16 juni 2005 waarbij verweerder, onder verwijzing naar het advies van 9 juni 2005 van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente De Ronde Venen, het bezwaar van eisers tegen het besluit van 18 januari 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is onder verlening van vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan Memid Investments B.V. (vergunninghouder) een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van appartementen, een basisschool, een peuterspeelzaal en een parkeerkelder onder het gebouw op het perceel Pijlstaartlaan 3-7 te Vinkeveen. 1.2 Het verzoek is op 31 januari 2005 ter zitting behandeld, waar eisers, allen woonachtig aan de Pijlstaartstaat, zijn vertegenwoordigd door mr. G.J. Scholten, advocaat te Utrecht. Tevens is onder meer verschenen [eiser]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N.J.M. Röling en P. Bos, beiden werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen. Namens vergunninghouder is [belanghebbende] ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. M.A.M. Dieperink, advocaat te Amsterdam. Namens gedeputeerde staten van de provincie Utrecht is G.J. Jaspers, werkzaam bij de provincie Utrecht, verschenen. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. Ten aanzien van het beroep (05/2178): 2.3 Het project betreft de bouw van 67 appartementen, een basisschool en een peuterspeelzaal op de begane grond en onder het gebouw, half onder de grond, een parkeerkelder op het perceel Pijlstaartlaan 3-7 te Vinkeveen. Het complex omvat twee gebouwen met een hoogte van 13,45 meter, met uitzondering van enkele hoogteaccenten tot 14,65 meter. Er zijn vier leeflagen gepland, waarbij de bovenste leeflaag (penthouses) aan de zijde van de Pijlstaartlaan overwegend teruggelegen is. De parkeerkelder ligt half verdiept, zodat de eerste leeflaag begint op circa 1,70 meter boven peil. Het project kan op basis van het huidige bestemmingsplan “Zuiderwaard 1981” niet worden gerealiseerd, omdat in dit bestemmingsplan op de betreffende gronden de bestemming “Bebouwing voor bijzondere doeleinden en bijbehorende terreinen” rust en deze bestemd zijn voor sociale, culturele, educatieve en religieuze doeleinden, zoals kerken, scholen en verenigingsgebouwen met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen. De bouw van het appartementencomplex is derhalve strijdig met de ter plaatse geldende bestemming. Daarnaast overschrijdt het bouwplan de maximaal toegestane goothoogte van het bestemmingsplan met circa 7 meter, wordt er buiten de aangegeven bebouwingsblokken gebouwd en wordt het bebouwingspercentage overschreden. Voor het bouwplan kan derhalve slechts een bouwvergunning worden verleend indien vrijstelling van het bestemmingsplan wordt verleend. 2.4 Verweerder heeft vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte deze vrijstellingsprocedure heeft gevolgd en toepassing had moeten geven aan het eerste lid van artikel 19 van de WRO. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband als volgt. 2.5 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten (GS), in overeenstemming met de in-specteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van GS dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Het desbetreffende bouwplan dient te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimte-lijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke on-derbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige be-stemming van het betreffende gebied. 2.6 Ter uitvoering van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben GS van de provincie Utrecht de Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening van 12 november 2002, nr. 2002REG002643i (hierna: de Circulaire) vastgesteld. De Circulaire noemt drie categorieën van gevallen waarop artikel 19, tweede lid, van de WRO van toepassing is. 1. Categorieën van gevallen aangewezen op basis van aanvaard gemeentelijk beleid waarin burgemeester en wethouders zelfstandig vrijstelling kunnen verlenen, tenzij er tegen het project zienswijzen worden ingediend; 2. Categorieën van gevallen aangewezen in een limitatieve lijst, waarin burgemeester en wethouders zelfstandig vrijstelling kunnen verlenen, ook indien er tegen het project zienswijzen worden ingediend; 3. Categorieën van gevallen aangewezen waarvoor een “specifieke” verklaringen van geen bezwaar op grond van artikel 19, lid 2, noodzakelijk is. In het onderhavige geval is sprake van een bouwplan dat deel uitmaakt van een groter project, het zogeheten Paus Johannes College - Appartementen - Pijlstaartschool project (hierna: PAP- project). Dit PAP-project is bij raadsbesluit van 11 juli 2002 goedgekeurd en daarmee aanvaard gemeentelijk beleid geworden. Het bouwplan valt dan ook onder de eerste categorie, die nader is uitgewerkt in paragraaf 3.1.1. van de Circulaire. 2.7 Volgens paragraaf 3.1.1. van de Circulaire, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor projecten die in overeenstemming zijn met door ons aanvaard gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in een ontwerp voor een structuurplan, een bestemmingsplan of een ander gemeentelijk plan of beleidsdocument voor specifieke ruimtelijk onderwerpen. De plannen, op basis waarvan een algemene verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven, dienen te voldoen aan de voorwaarden dat voldoende aandacht wordt geschonken aan een goede ruimtelijke onderbouwing zoals beschreven in paragraaf 2.4 en dat de provinciale planologische commissie (ppc) een onverdeeld positief advies over het plan heeft uitgebracht. In geval er in het kader van de vrijstellingsprocedure zienswijzen zijn kenbaar gemaakt, geldt de algemene verklaring van geen bezwaar niet en dient vooraf een verklaring van geen bezwaar door ons te worden afgegeven (artikel 19 lid 2). 2.8 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in overeenstemming met de Circulaire gehandeld nu sprake is van een project dat in overeenstemming is met door GS aanvaard gemeentelijk beleid neergelegd in het PAP-project en is in het onderhavige geval terecht de vrijstellingsprocedure van artikel 19, tweede lid, van de WRO toegepast. Er is geen grond voor het oordeel dat de aanwijzing van projecten die passen in een ruimtelijk document waarmee gedeputeerde staten, zoals in dit geval, reeds hebben ingestemd, zich niet verdraagt met artikel 19, tweede lid, van de WRO. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 17 augustus 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer AU1474, waarnaar eisers hebben verwezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding dienaangaande anders te oordelen. Voorts wijst de voorzieningenrechter nog op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2005, gepubliceerd op www. rechtspraak.nl onder nummer AU4971, waarin is geoordeeld dat uit de tekst van artikel 19, eerste lid, van de WRO en de nota van wijziging (kamerstukken II 1997/98, 25 311 nr. 7) valt af te leiden dat als op grond van artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, vrijstelling uit hoofde van artikel 19, eerste lid, van de WRO niet aan de orde is. 2.9 De voorzieningenrechter constateert dat de onder 2.3 genoemde strijdigheden met het bestemmingsplan een aanzienlijke inbreuk op het bestemmingsplan betekenen en dat, zoals verweerder heeft erkend, derhalve strenge eisen aan de ruimtelijke onderbouwing dienen te worden gesteld. De vraag of in dat licht het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in de Circulaire wordt door de voorzieningenrechter bevestigend beantwoord. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat voor vrijstellingen die in overeenstemming zijn met het PAP-project op 21 januari 2003 door GS op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO een algemene verklaring van geen bezwaar is afgegeven. Voorts heeft de pcc in de vergadering van 18 december 2002 positief geadviseerd over het PAP-project. Omdat met betrekking tot het bouwplan zienswijzen zijn ingediend heeft verweerder, in overeenstemming met de Circulaire, GS verzocht ten behoeve van het onderhavige bouwplan een verklaring van geen bezwaar af te geven. Bij besluit van 14 december 2004 hebben GS de verklaring van geen bezwaar verleend, waarbij gemotiveerd is aangegeven dat het bouwplan binnen de reikwijdte van het PAP-project valt en dat de ruimtelijke onderbouwing van het project goed is bevonden. De voorzieningenrechter kan zich in het oordeel van GS vinden en overweegt daartoe dat de ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in een in juni 2002 speciaal voor het PAP-project opgesteld document en onder meer de beschrijving van het projectgebied, van de geldende planologische situatie, van de visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied en van de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving bevat. Het project is getoetst aan gemeentelijk-, provinciaal- en rijksbeleid en er is aandacht besteed aan aspecten van verkeer, groen, water, bodem, geluid en leidingen. Dat het bouwplan voorziet in vier en een halve woonlaag en daarmee niet in de omgeving zou passen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Blijkens de ter zitting getoonde luchtfoto staan er in de wijk meer hoge gebouwen. Voorts kan de omstandigheid dat verweerder zich bij zijn keuze voor de hoogte van het bouwplan tevens heeft laten leiden door financiële motieven aan een goede ruimtelijke onderbouwing niet afdoen. In de omstandigheid dat het PAP-project van juni 2002 uitging van een ander bouwplan en nadien voor een nieuw bouwplan bouwvergunning en vrijstelling is verleend, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het PAP-project niet als ruimtelijke onderbouwing van het onderhavige bouwplan kan dienen nu is gebleken dat onderhavig bouwplan binnen de grenzen blijft van het eerdere bouwplan en minder inbreuk maakt op het vigerende planologische regime dan het eerdere bouwplan. 2.10 Ten aanzien van hetgeen eisers met betrekking tot de toepassing van de watertoets van artikel 19a van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) hebben aangevoerd overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In artikel 19a van de Bro is bepaald dat de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, vergezeld gaat van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het besluit voor de waterhuishouding. Blijkens de Nota van Toelichting bij het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijk Ordening en Milieubeheer (VROM) van 3 juli 2003 tot wijziging van het Bro is het de bedoeling van de wetgever dit artikel slechts van toepassing te laten zijn op vrijstellingsbesluiten als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de WRO en niet op vrijstellingsbesluiten als bedoeld in het tweede en derde lid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder, nu deze ten aanzien van het bouwplan geen toepassing heeft gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO, niet gehouden rekening te houden met de watertoets. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder desondanks in de ruimtelijke onderbouwing van juni 2002 is ingegaan op de gevolgen van het bouwplan voor de waterhuishouding. 2.11 Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder hun belangen bij de besluitvorming onvoldoende heeft betrokken. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Voorop staat dat verweerder sedert het moment dat sprake was van plannen voor nieuwbouw op het onderhavige perceel overleg heeft gepleegd met omwonenden, waaronder eisers. Zo zijn er twee inspraakavonden geweest waarop de bouwplannen zijn besproken. De resultaten van de eerste inspraakavond hebben geleid tot een nadere uitwerking van de plannen die op de tweede inspraakavond zijn besproken. Op die avond hebben omwonenden voorstellen gedaan die tot een aantal toezeggingen van verweerders zijde hebben geleid. Deze voorstellen zijn, evenals de schriftelijke reacties van omwonenden, opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing van het PAP-project. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bedenkingen van de verschillende belanghebbenden door verweerder bij zijn (uiteindelijke) keuze voor het project zijn betrokken en dat het plan naar aanleiding van een aantal van deze bedenkingen, waaronder die van eisers, is aangepast. Zo zijn de commerciële bestemmingen uit het bouwplan verdwenen, waardoor minder verkeersbewegingen zullen plaatsvinden, zijn de bouwmassa en de bouwhoogte aan de zijde van de Pijlstaartlaan ten opzichte van de eerdere plannen teruggebracht, worden de balkons aan de parkzijde uitgevoerd en blijft het park, door te kiezen voor de appartementenbouw in plaats van uitbreiding van de school in het park, onaangetast. Het bouwgedeelte van het bouwplan dat het dichtst bij de Pijlstaartlaan is gelegen omvat maximaal drie leeflagen en een maximale hoogte van circa 11,25 meter. De afstand van deze bouwgedeelten, die een gevellengte hebben van 16 meter, tot de woningen aan de Pijlstaartlaan is circa 32 meter. Vorenstaande feiten in aanmerking genomen, ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de belangen van eisers. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er voorts op dat verweerder een schaduwberekening heeft laten uitvoeren waaruit blijkt dat ten gevolge van het bouwplan in de wintermaanden sprake zal zijn van één uur minder zon in woningen aan de Pijlstaartlaan. Eisers hebben geen gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de conclusies van dit onderzoek. Dat verweerder niet geheel aan eisers belangen tegemoet is gekomen, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet dat eisers belangen niet of onvoldoende zijn meegewogen. 2.12 Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. 2.13 Gelet op het voorgaande kan hetgeen eisers naar voren hebben gebracht niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. 2.14 Gelet op het vorenoverwogene is er geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (05/3877): 2.15 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. 2.16 Gelet op het vorenoverwogene wordt geen aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten te veroordelen. 3. BESLISSING De voorzieningenrechter: Ten aanzien van het beroep: 3.1 verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2005 ongegrond. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening: 3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2006. De griffier: De voorzieningenrechter: mr. G. Delissen mr. S. Wijna Afschrift verzonden aan partijen op: Uitsluitend tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.