
Jurisprudentie
AV2140
Datum uitspraak2006-02-17
Datum gepubliceerd2006-02-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 05/01531
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 05/01531
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij Besluit d.d. 8 oktober 2005 is de Bijlage als bedoeld in art. 2, eerste lid, WAHV met ingang van 1 januari 2006 gewijzigd. In casu is de sanctie voor de gedraging verlaagd. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat aan haar ten onrechte de hogere sanctie is opgelegd. In voormeld Besluit is een overgangsregeling getroffen, die regelt dat een wijziging in de hoogte van de sanctie geen gevolgen heeft voor gedragingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit hebben plaatsgevonden. Het hof sluit zich aan bij de Nota van toelichting, waarin is vermeld waarom de getroffen overgangsregeling niet in strijd is met art. 15, eerste lid, derde volzin, IVBPR.
Uitspraak
WAHV 05/01531
17 februari 2006
CJIB 19081195633
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage
van 12 december 2005
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 95,- opgelegd ter zake van "niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg" (feitcode R301), welke gedraging zou zijn verricht op
13 maart 2005 om 05.20 uur op de Rijksweg A13 te Delft.
3.2. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht maar is het niet eens met de hoogte van de opgelegde sanctie. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat, nu sinds 1 januari 2006 de sanctie voor het niet zoveel mogelijk rechts houden op de autoweg of autosnelweg (feitcode R301) is bepaald op Euro 75,-, aan haar ten onrechte een sanctie van
Euro 95,- is opgelegd.
3.3. Op grond van de op 13 maart 2005 van toepassing zijnde bijlage, bedoeld in art. 2, eerste lid, WAHV, bedraagt de bij de feitcode R301 behorende administratieve sanctie Euro 95,-.
3.4. Bij Besluit van 8 oktober 2005 (Stb. 2005, nr. 555) is de bijlage, bedoeld in art. 2, eerste lid, WAHV gewijzigd. Op 1 januari 2006 is de gewijzigde bijlage in werking getreden (Stb. 2005, nr. 580). Krachtens de nieuwe richtlijn bedraagt de bij de feitcode R301 behorende administratieve sanctie Euro 75,-.
3.5. Art. II van het Besluit van 8 oktober 2005 luidt als volgt: "Een wijziging in de hoogte van de sanctie heeft geen gevolgen voor gedragingen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit hebben plaatsgevonden.".
3.6. De Nota van toelichting houdt onder meer het volgende in:
"Overgangsbepaling
In dit besluit is een overgangsregeling getroffen die regelt dat een wijziging in de hoogte van de sanctie geen gevolgen heeft voor gedragingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit hebben plaatsgevonden. De invoering van lagere tarieven voor overschrijdingen van de snelheid tot 10 km/h geeft aanleiding tot het treffen van een overgangsregeling die verwarring over de gevolgen van de lagere sancties voor de in behandeling zijnde beroepschriften voorkomt. Gelet op de toelichting op artikel 5.4.1.7, vierde lid, van het wetsvoorstel Vierde tranche Awb (Kamerstukken II, 29702, nr. 3) kan een dergelijke overgangsbepaling worden getroffen door de (lagere) wetgever en ontstaat er geen strijdigheid met artikel 15, eerste lid, derde volzin, IVBPR, dat bepaalt: indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren. In de toelichting op het eerdergenoemde wetsvoorstel wordt verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad, te weten: HR 14 mei 2002, NJ 2002, 369. In deze zaak was na het plegen van het strafbare feit een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering aangepast, waardoor iets ruimere mogelijkheden bestonden voor de oplegging van een taakstraf. De verdachte beriep zich op artikel 15 IVBPR, aangezien het gerechtshof ten onrechte niet deze nieuwe regeling had toegepast en het aanbod tot het verrichten van een taakstraf afwees. De Hoge Raad overwoog dat zich hier niet de in artikel 15 IVBPR bedoelde situatie voordeed, nu de nieuwe regeling bepaalt dat de wet geen gevolgen heeft voor strafzaken die vóór de inwerkingtreding daarvan (...) aanhangig zijn gemaakt.".
3.7. De wetgever heeft in de Nota van toelichting gemotiveerd aangegeven waarom de overgangsbepaling niet in strijd is met art. 15, eerste lid, derde volzin, IVBPR. Het hof sluit zich hierbij aan. Voorgaande brengt mee dat niet kan worden gezegd dat de overgangsbepaling in dit geval niet van toepassing is.
3.8. De betrokkene voert verder aan dat de verbalisant ten onrechte in de aankondiging van beschikking heeft vermeld dat betrokkene van het mannelijk geslacht is. Naar het hof begrijpt stelt de betrokkene zich op het standpunt dat deze fout tot vernietiging van de inleidende beschikking dient te leiden.
3.9. Het hof overweegt dat het enkele feit dat de verbalisant (abusievelijk) het verkeerde geslacht van de betrokkene heeft vermeld in het proces-verbaal niet meebrengt dat de inleidende beschikking dient te worden vernietigd.
3.10. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

