
Jurisprudentie
AV2219
Datum uitspraak2006-02-15
Datum gepubliceerd2006-02-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200505688/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2006-02-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200505688/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij uitspraak van 13 juni 2005, verzonden op 17 juni 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door verzoekster tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) van 23 juli 2004 ingesteld beroep ongegrond verklaard.
Uitspraak
200505688/2.
Datum uitspraak: 15 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/1174 van de rechtbank Zutphen van 13 juni 2005 in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Epe.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 13 juni 2005, verzonden op 17 juni 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door verzoekster tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) van 23 juli 2004 ingesteld beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 29 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2005, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 9 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 januari 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. L.J. Steenbergen, advocaat te Epe, en het college, vertegenwoordigd door A. Oostwoud, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij uitspraak van heden, no. 200505688/1, heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Derhalve is geen sprake meer van een geding. Het verzoek dient daarom als ongegrond te worden afgewezen.
2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Huijben
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2006
313-499.

