Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2331

Datum uitspraak2006-02-10
Datum gepubliceerd2006-02-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers03/700521-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontucht. De verklaringen van de aangeefsters roepen zoveel vragen op dat de politierechter niet tot de overtuiging komt dat de vermeende handelingen daadwerkelijk zijn gepleegd.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Strafrecht Parketnummer: 03/700521-05 Datum uitspraak: 10 februari 2006 Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 januari 2006 op tegenspraak gewezen door de politierechter in de zaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte], wonende te [woonplaats verdachte]. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 14 juni 2005 te Gulpen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] en/of [slachoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meerontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de sluiting van het bovenstuk van de bikini, althans (zwem)kleding van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) betasten van de rug van die [slachtoffer 1] en/of het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer 2] en/of omlaag trekken van de bandjes van de bikini en/of het topje en/of de bh van die [slachtoffer 2] en/of betasten van de sluiting van het bovenstuk van de bikini, althans (zwem)kleding van die [slachtoffer 2], en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (dreigend) om die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heen gaan staan en/of (dreigend) tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gaan staan en/of (dreigend) duwen tegen de deur van de/een kleedhokje(s) waarin zich die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bevonden; subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij op of omstreeks 14 juni 2005 te Gulpen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer 2] en/of omlaag trekken van de bandjes van de bikini en/of het topje en/of de bh van die [slachtoffer 2] en/of betasten van het bovenstuk van de bikini, althans zwemkleding van die [slachtoffer 2]. Het requisitoir De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit onder primair zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, waarvan € 300,-voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De raadsvrouwe heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit en geconcludeerd dat om die reden geen straf dient te worden opgelegd. De vrijspraak De politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De politierechter overweegt hiertoe het volgende. Verdachte zou aangeefsters in het zwembad ontuchtig hebben betast. In het dossier bevinden zich verklaringen van enkele personen die in het zwembad aanwezig waren alsmede van beide aangeefsters. De politierechter zal die verklaringen hierna bespreken: ? [getuige 1] ziet dat vier mannen, vermoedelijk Marokkanen, bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] staan. Hij verklaart: “Ik zag dat twee van de mannen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten. Die twee wilden hen aanraken en zoenen”. Deze verklaring is onvoldoende specifiek. Er blijft ruimte over voor de mogelijkheid dat de mannen de dames niet hebben aangeraakt. Verklaard wordt immers dat ze de dames “wilden” aanraken, niet dat ze hen “hebben” aangeraakt. Indien er daadwerkelijk een aanraking is geweest, dan blijkt vervolgens uit de verklaring niet waaruit die aanraking heeft bestaan en of die eventueel ontuchtig van aard is geweest. ? [getuige 2] heeft verklaard: “Ik zag toen ook die vier buitenlanders van voorheen staan. Ik zag toen dat een van die buitenlanders naar [slachtoffer2] toeliep en ik zag dat hij aan het bandje van haar b.h. trok.” Uit deze verklaring valt niet af te leiden dat één der verdachten verantwoordelijk is voor deze handeling of dat wellicht een van de andere twee mannen dat is. De vraag die daarna gesteld zou moeten worden, namelijk of deze verklaring voldoende specifiek is om hier een ontuchtige handeling uit te kunnen afleiden, kan daarom in het midden blijven. Meer getuigenverklaringen zijn niet in het dossier aanwezig. Blijkens het overzichtsproces-verbaal heeft de politie wel nog getracht meer getuigen te vinden maar is zij daarin niet geslaagd. Ook bestudering van de videobeelden en gesprekken met het zwembadpersoneel hebben geen nadere informatie opgeleverd. Het bevreemdt de politierechter dat op klaarlichte dag, in een vol zwembad, waar de aangeefsters zich bevinden in het gezelschap van meer dan honderd van hun schoolgenoten (en zij dus niet anoniem zijn), niemand anders de aan de verdachte verweten handelingen heeft gezien. Aangeefsters leggen beiden wel een verklaring af waaruit de verweten handelingen blijken. Na lezing, en diverse herlezingen, blijft de politierechter echter serieuze twijfels houden met betrekking tot de inhoud van die verklaringen op grond van het volgende. ? Allereerst valt het op dat aangeefster [slachtoffer 1] beschrijft hoe een van de verdachten haar badhokje probeert binnen te dringen (blz. 9). Zij bevindt zich daar dan samen met aangeefster [slachtoffer 2]. Beide aangeefsters duwen volgens [slachtoffer 1] samen tegen de deur van het badhokje om de verdachte buiten te houden. Aangeefster [slachtoffer 2] rept echter met geen woord over dit voorval, terwijl de politierechter meent dat het toch een schrikachtig moment moet zijn geweest dat aangeefster [slachtoffer 2] niet zo licht vergeten kan hebben; ? bij het verlaten van de kleedhokjes lopen beide aangeefsters naar de spiegels om “hun haren te fatsoeneren”. Bij die spiegels staan ook de vier eerdergenoemde mannen. Indien de handtastelijkheden die aangeefsters hebben beschreven vóór het verlaten van de kleedhokjes zouden hebben plaatsgevonden kan de politierechter zich niet voorstellen dat aangeefsters dan nog bij de spiegels zouden gaan staan om “hun haren te fatsoeneren”. Zeker niet zonder eerst enkele schoolgenoten, die immers in grote getallen in het zwembad aanwezig waren, te waarschuwen en te hulp te vragen; ? ondanks de ongewenste aandacht die hen ten deel valt roepen aangeefsters niet om hulp of trekken zij op een andere manier de aandacht van de vele aanwezigen. Uit de verklaringen volgt dat aangeefsters feitelijk hun gewone gang van zwembad naar douches naar kleedhokjes naar spiegel hebben vervolgd alsof er ondertussen niets is gebeurd. Ook dat kan de politierechter zich niet goed voorstellen bij de handelingen die aangeefsters hebben beschreven. Nu de verdachte met klem het hem verweten gedrag ontkent, op twee personen na niemand iets van het gebeuren in het overigens toch volle zwembad heeft meegekregen, de twee getuigen weinig tot geen concrete informatie kunnen verschaffen en de aangeefsters gedrag ten toon spreiden dat bij dergelijke omstandigheden bevreemding wekt, twijfelt de politierechter met betrekking tot de vraag of verdachte de hem verweten handelingen heeft gepleegd. Die twijfel leidt er toe dat het de politierechter ontbreekt aan de vereiste overtuiging om het tenlastegelegde overtuigend bewezen te kunnen achten, weshalve vrijspraak dient te volgen. DE BESLISSING: De politierechter verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, politierechter in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2006.