Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2534

Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2078 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Op grond van de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor de opvatting dat de bij eiseres bestaande psychische klachten wel in het door de Wet vereiste verband staan met de vervolging.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/2078 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 28 februari 2005, kenmerk JZ/I/70/2005/0093, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren op 30 september 1939, door de rechtsvoorganger van verweerster bij beslissing van 2 april 1981 erkend als vervolgde in de zin van de Wet in verband met haar internering in het kamp Tjihapit tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indiƫ. In september 2004 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om als vervolgde op grond van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Bij besluit van 15 december 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster die aanvraag afgewezen op de grond dat de lichamelijke en psychische klachten van eiseres niet in verband kunnen worden gebracht met de ondergane vervolging maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan. In beroep heeft eiseres zich gekeerd tegen verweersters opvatting dat de bij eiseres aanwezige psychische klachten niet in verband staan met de vervolging. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Om voor een periodieke uitkering ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet of voor een voorziening als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Wet in aanmerking te komen moet bij de vervolgde sprake zijn van ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Het standpunt van verweerster dat de bij eiseres aanwezige psychische klachten niet voortvloeien uit haar vervolging, is in overeenstemming met adviezen van haar geneeskundig adviseurs, welke adviezen berusten op een rapport van een medisch onderzoek van eiseres op 25 november 2004 door de arts J.H. Husken, alsmede op van de huisarts van eiseres ontvangen informatie. Uit genoemd rapport komt naar voren dat er bij eiseres sprake is van lichte slaapperikelen in combinatie met gevoelens van somberte (dysthymie) welke niet in verband kunnen worden gebracht met de ondergane vervolging, maar verband houden met de naoorlogse omstandigheden in het gezin waartoe eiseres behoorde. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Op grond van de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor de opvatting dat de bij eiseres bestaande psychische klachten wel in het door de Wet vereiste verband staan met de vervolging. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de arts Husken, voornoemd, in zijn rapport aan de psychiatrische anamnese uitgebreid aandacht heeft besteed. Eiseres heeft weliswaar aangegeven dat zij weinig openheid toont over de oorlogsperiode maar de Raad heeft, mede in aanmerking genomen dat eiseres geen nadere medische informatie heeft overgelegd, geen aanleiding te veronderstellen dat voornoemde arts geen goed inzicht heeft kunnen verkrijgen over de bij eiseres bestaande problematiek. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.