Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2536

Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2012 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

In onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/2012 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerster heeft onder dagtekening 28 februari 2005, kenmerk JZ/A60/2005, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld op de in een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - aangegeven gronden. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006, waar voor eiseres is verschenen mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die in 1938 te Batavia in het voormalige Nederlands-Indië is geboren, in maart 2004 bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en onder meer in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag bedoeld in artikel 19 van de Wet. Eiseres baseert die aanvraag op gezondheidsklachten die haars inziens het gevolg zijn van hetgeen haar in het voormalige Nederlands-Indië is overkomen te weten, tijdens de Japanse bezetting: 1. het wegvoeren van haar vader als krijgsgevangene; 2. het meemaken van mortierbeschietingen door de Japanners op schepen in de haven; 3. het vele malen moeten verhuizen door de onveilige situatie; tijdens de zogenoemde Bersiap-periode: 4. het verblijf in een kamp aan de Soembaweg; 5. de bedreigende onveilige situatie, waarin zij naar de pasar moest; Verweerster heeft bovengenoemde aanvraag bij besluit van 25 augustus 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond - kort samengevat - dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Eiseres kan zich met het besluit van verweerster niet verenigen. Zij voert aan, onder herhaling van de door haar meegemaakte gebeurtenissen en voor zover blijkens het verhandelde ter zitting nog van belang, dat zij wel degelijk getroffen is geweest door oorlogsgeweld en betrokken bij ongeregeldheden, dreigementen, verschrikkingen en geweld. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door en namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 en de daaraan nauw aansluitende Bersiap-periode in het voormalige Nederlands-Indië als burger letsel heeft opgelopen bij met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden of door of in verband met handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht dan wel door confrontatie op jeugdige leeftijd met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door of namens de bezettende macht, en die ten gevolge van dat letsel blijvend invalide is geworden. Met betrekking tot de onder 1. genoemde calamiteit overweegt de Raad dat uit de gedingstukken, waaronder stukken opgemaakt naar aanleiding van aanvragen van de moeder en zuster van eiseres, naar voren komt dat de vader van eiseres, die in december 1941was gemobiliseerd, in maart 1942 te Tjimahi door de Japanners krijgsgevangen is gemaakt en na de bevrijding is teruggekeerd. Het gezin was destijds woonachtig te Batavia of, indien de verklaring van de nicht van eiseres, A.Westergaard, juist is, in een buitenwijk te Salatiga. Het betreft hier dus niet een handeling of maatregel tegen eiseres gericht, terwijl ook niet is gebleken dat zij tegenwoordig is geweest bij zijn gevangenneming, zodat ook geen sprake kan zijn geweest van confrontatie met zware mishandeling van een derde. Verweerster is ten aanzien van de onder 2. genoemde beschietingen van mening dat directe betrokkenheid van eiseres daarbij niet is komen vast te staan. De Raad kan zich daarmee verenigen. Het betrof beschietingen vanuit haar woon-omgeving door Japanners op schepen; van, bijvoorbeeld, directe schade aan bezittingen of van verwondingen van familieleden van eiseres bij die beschietingen wordt geen melding gemaakt. Het vele malen moeten verhuizen door de onveilige situatie, genoemd onder 3., moet naar het oordeel van de Raad worden beschouwd als een algemene oorlogsomstandigheid en is niet een situatie die onder de werking van artikel 2 van de Wet kan worden gebracht. Wat betreft de gebeurtenis genoemd onder 4. stelt de Raad vast dat voor het bestaan van een extremistenkamp aan de Soembaweg of Soembawaweg geen bevestiging is gevonden. Daarbij komt dat door de moeder en zuster van eiseres ook geen melding is gemaakt van internering. Mogelijk is het kamp, waarvan in de verklaring van de nicht van eiseres sprake is, een opvang- of evacuatiekamp geweest. Het verblijf in zo’n kamp kan in beginsel niet worden beschouwd als een calamiteit als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Van specifieke levensgevaarlijke omstandigheden, op grond waarvan niettemin tot het bestaan van een dergelijke calamiteit zou moeten worden geconcludeerd, is niet gesproken. Het zich bedreigd voelen op de pasar, waar eiseres door haar moeder vanwege haar Indonesische uiterlijk heen werd gestuurd, en het zien van bedreigingen met messen, bedoeld onder 5., voor welke voorvallen overigens alleen de verklaring van eiseres zelf voorhanden is, voldoen niet aan de omschrijving van onder artikel 2 van de Wet vallende gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld als jeugdige te worden geconfronteerd met extreem geweld tegen derden. Verweerster heeft zich gelet op het vorenstaande op goede gronden op het standpunt gesteld dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Dit betekent niet dat wordt miskend dat eiseres bedreigende omstandigheden en verschrikkingen heeft meegemaakt, maar het gaat hier om algemene oorlogsomstandig-heden die velen destijds in meer of mindere mate hebben meegemaakt. Om in aanmerking te kunnen komen voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer moet de betrokkene echter bepaalde, in artikel 2 van die wet omschreven oorlogsgebeurtenissen hebben ondergaan. De Raad is voorts van oordeel dat het onderzoek van verweerster voldoende zorgvuldig is geweest. Gelet op de omstandigheid dat eiseres zelf gezien haar leeftijd destijds aan de oorlogsperiode slechts summiere herinneringen heeft, ontbraken verweerster verdere aanknopingspunten voor nader onderzoek. Naast het raadplegen van relatiedossiers heeft het onderzoek van verweerster ook bestudering ingehouden van beschikbare documen-tatie betreffende het gebied waar de door eiseres genoemde gebeurtenissen zich hebben voorgedaan. Dat onderzoek heeft niet geleid tot de vaststelling dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat het beroep niet kan slagen. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond; Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.