
Jurisprudentie
AV2540
Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1674 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1674 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1674 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 februari 2005, kenmerk JZ/T60/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Tevens heeft zij medegedeeld dat dr. ir. H.Th. Bussemaker, wonende te Heemstede, als haar gemachtigde zal gaan optreden.
Bij schrijven van 14 juni 2005 heeft de gemachtigde van eiseres, dr. ir. H.Th. Bussemaker voornoemd, het beroepschrift verder aangevuld en nog enkele stukken overgelegd.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar raadsman dr. ir. H.T. Bussemaker voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In april 1997 heeft eiseres, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan hetgeen zij in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt tijdens de zogeheten Bersiap-periode.
Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 28 november 1997, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 augustus 1998, op de grond dat niet gebleken is dat eiseres getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen - samengevat - dat de huiszoeking door pemoeda’s en het verblijf in een beschermingskamp te Buitenzorg niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, van de Wet kunnen worden gebracht en dat van bedreiging door extremisten onvoldoende bevestiging is verkregen terwijl de directe betrokkenheid van eiseres bij beschietingen tijdens het verblijf in het kamp te Buitenzorg niet is komen vast te staan.
Eiseres heeft tegen laatstgenoemd besluit geen beroep ingesteld, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.
In november 2002 heeft eiseres verzocht om herziening van dat besluit teneinde te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Eiseres heeft daarbij haar eerdere relaas verder uitgediept en aangevuld, alsmede drie nieuwe getuigenverklaringen, vergezeld van situatieschetsen, overgelegd.
Bij besluit van 23 juli 2003 heeft verweerster dit verzoek afgewezen en deze afwijzing na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 september 2003 op de grond dat de tijdens de herzieningsprocedure door eiseres ingebrachte documenten en verklaringen geen relevante nieuwe feiten of gegevens bevatten op grond waarvan verweerster tot een ander standpunt zou moeten komen.
Het door eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de Raad bij zijn uitspraak van 7 oktober 2004, nr. 03/5381 WUBO, ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat het door verweerster ingestelde hernieuwde onderzoek, bestaande onder meer uit vergelijking van de ingebrachte getuigenissen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] met hetgeen in de bij verweerster omtrent hen aanwezige dossiers staat opgetekend, alsmede met hetgeen eiseres zelf heeft verklaard, geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft opgeleverd die verweerster aanleiding hadden behoren te geven tot herziening van haar besluit van 26 augustus 1998 over te gaan. Daarmee is dat besluit tussen partijen rechtens verbindend geworden.
In november 2004 heeft eiseres zich nogmaals tot verweerster gewend met het verzoek het eerdere afwijzende besluit te herzien. Zij heeft daarbij nogmaals uitgebreid vermeld hetgeen haar tijdens de Bersiap-periode in het voormalige Nederlands-Indië is overkomen en benadrukt dat zij bij de huiszoeking door pemoeda’s fysiek is bedreigd en geschopt en in levensbedreigende situaties heeft verkeerd terwijl van bescherming in het zogenoemde beschermingskamp te Buitenzorg al helemaal geen sprake is geweest.
Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 18 januari 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat eiseres bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure op dat verzoek relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid. Hierbij heeft verweerster alle feiten en gegevens die eiseres bij haar onderhavige verzoek heeft aangedragen, vergeleken met de gegevens van de eerdere aanvragen en geconcludeerd dat alles was meegewogen. Voorts is, aldus verweerster, niet gebleken of aannemelijk gemaakt dat haar oordeel van destijds onjuist is geweest. Verweerster ziet derhalve geen aanleiding met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wet haar eerder ingenomen standpunt te herzien.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
De Raad stelt vast dat verweerster reeds eerder een verzoek van eiseres om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer heeft afgewezen op grond van de overweging dat niet is komen vast te staan dat eiseres is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld, zodat verweerster het in geding zijnde verzoek terecht heeft beoordeeld als een verzoek om herziening.
Ingevolge het bepaalde in artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich mee dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Deze rechterlijke toetsing is des te meer beperkt, omdat het hier een herhaald verzoek om herziening betreft.
Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is centraal de vraag of eiseres bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren dan wel dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, wederom niet gebleken.
De Raad moet vaststellen dat eiseres bij het onderhavige herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, in wezen heeft herhaald - zij het in andere bewoordingen - hetgeen zij reeds ter ondersteuning van haar eerdere aanvragen had aangevoerd. Ook hetgeen eiseres en haar gemachtigde in beroep nog naar voren hebben gebracht betreft niet zozeer nieuwe informatie omtrent de specifieke ervaringen van eiseres, doch plaatst de door eiseres beschreven gebeurtenissen in een nauwkeuriger historisch perspectief. Objectieve bevestiging van de relazen van eiseres of van de door haar genoemde getuigen, heeft de Raad evenmin als verweerster kunnen vinden in hetgeen eiseres en haar gemachtigde in deze procedure naar voren hebben gebracht. De Raad merkt daarbij nog op, dat algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meerdere of mindere mate een ieder heeft blootgestaan, niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
De Raad merkt tenslotte nog op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de eigen verklaring van een betrokkene, zonder dat er andere, objectieve gegevens zijn die die verklaring ondersteunen, onvoldoende is om de door een betrokkene gestelde gebeurtenissen als vaststaand te kunnen aanvaarden. De enkele omstandigheid dat deze gebeurtenissen passen binnen de historische context acht de Raad daartoe onvoldoende, nu de wetgever nadrukkelijk heeft bepaald dat slechts individuele en directe betrokkenheid bij de in artikel 2, eerste lid, van de Wet genoemde gebeurtenissen kan leiden tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Ook het namens eiseres ingenomen standpunt dat verblijf in de zogenoemde beschermingskampen als calamiteit in de zin van de Wet zou dienen te worden aanvaard omdat aldaar vaak weinig bescherming werd gevonden, kan de Raad in zijn algemeenheid niet volgen, nu ook hier de individuele omstandigheden bepalend dienen te zijn. Daarmee is geenszins ontkend dat eiseres en haar familie het met name in de Bersiap-tijd moeilijk hebben gehad, maar de Wet heeft slechts een beperkte strekking, waardoor slechts als vast staat dat de betrokkene bepaalde, in artikel 2, eerste lid, van de Wet omschreven oorlogscalamiteiten heeft meegemaakt, erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kan plaatsvinden.
Hetgeen hierboven is overwogen brengt mee dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde, terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en dat het beroep van eiseres dus niet kan slagen.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.

