Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2541

Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1654 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herhaald verzoek om herziening.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/1654 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerster heeft onder dagtekening 25 februari 2005, kenmerk JZ/Z60/2005, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Tegen dit besluit heeft eiseres op de in het beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Tevens heeft zij medegedeeld dat dr.ir. H.Th. Bussemakers, wonende te Heemstede, als haar gemachtigde zal gaan optreden. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 12 juli 2005 heeft de gemachtigde van eiseres, dr.ir. H.Th. Bussemakers voornoemd, het beroepschrift verder aangevuld. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar raadsman Bussemakers voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die in 1934 is geboren, in oktober 1995 bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en onder meer in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering krachtens de Wet. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die haars inziens het gevolg zijn van hetgeen haar in het voormalige Nederlands-Indië is overkomen tijdens de Japanse bezetting en zogenoemde Bersiap-periode, te weten: Tijdens de Japanse bezetting 1. huiszoekingen waarbij de Japanners op zoek waren naar radio’s; Tijdens de Bersiap-periode 2. het op last van Pemoeda’s verlaten van de woning; 3. beschietingen (van het huis van de familie De Bruin, waar zij daarna verbleven); 4. het verblijf ter bescherming in Fort Willem I; 5. beschietingen op Fort Willem I; 6. het verblijf in de Mlatengevangenis in december 1945. Verweerster heeft bovengenoemde aanvraag bij besluit van 18 juli 1996 afgewezen op de grond dat de genoemde gebeurtenissen ofwel niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, van de Wet kunnen worden gebracht ofwel omdat daarvoor, buiten de eigen verklaring van eiseres, onvoldoende bevestiging was verkregen. Erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b en f, van de Wet was derhalve naar het oordeel van verweerster niet mogelijk. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend. In december 1997 heeft eiseres verweerster verzocht eerdergenoemd besluit te herzien. Dit verzoek heeft verweerster bij besluit van 26 mei 1998 afgewezen op de grond dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren waren gebracht welke aanleiding gaven om het eerder ingenomen standpunt zoals neergelegd in de beslissing van 18 juli 1996 te herzien. In februari 2002 heeft eiseres zich opnieuw tot verweerster gewend met het verzoek het besluit van 18 juli 1996 te herzien en haar in aanmerking te brengen voor onder meer een periodieke uitkering. Eiseres heeft daarbij enkele getuigen genoemd die haar verzoek zouden kunnen ondersteunen. Verweerster heeft het verzoek van eiseres bij besluit van 9 oktober 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 januari 2003, afgewezen op de grond dat eiseres noch tijdens de aanvraag noch bij bezwaar relevante nieuwe gegevens heeft overgelegd. De verkregen getuigenverklaringen zouden, wanneer zij destijds bekend waren geweest, niet tot een andere beslissing hebben geleid. Het door eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de Raad bij zijn uitspraak van 19 februari 2004, nr. 03/1075 WUBO, ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat door verweerster hernieuwd onderzoek is ingesteld, bestaande onder meer uit het horen van door eiseres aangebrachte getuigen [getuige 1], haar zusters [zuster 1 van eiseres] en [zuster 2 van eiseres], alsmede de broer van eiseres [broer van eiseres] en voorts nog [getuige 2], doch verweerster heeft in deze verklaringen onvoldoende grond gezien de door eiseres vermelde oorlogsgebeurtenissen alsnog onder de werking van de Wet te brengen. Ook naar het oordeel van de Raad kon niet worden gezegd dat deze getuigenverklaringen een nieuw licht werpen op de genoemde calamiteiten, noch dat het onderzoek van verweerster onvoldoende zorgvuldig was geweest. In augustus 2004 heeft eiseres zich nogmaals tot verweerster gewend met het verzoek het eerdere afwijzende besluit te herzien omdat na vele gesprekken met haar oudere zus [zuster 2 van eiseres] en andere familieleden nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die haars inziens een herziening van het eerdere besluit rechtvaardigen. Ook heeft zij weer een getuigenverklaring van genoemde zus aan verweerster gezonden en wat betreft de beschietingen op Fort Willem 1 heeft zij verwezen naar een artikel van prof. P.M. Groen. Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 7 oktober 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat eiseres bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure op dat verzoek relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid. Verweerster ziet derhalve geen aanleiding met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wet haar eerder ingenomen standpunt te herzien. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. De Raad stelt allereerst vast dat verweerster reeds twee maal eerder een verzoek van eiseres om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer heeft afgewezen op de grond dat niet is komen vast te staan dat eiseres slachtoffer is geworden van onder de Wet vallend oorlogsgeweld, zodat verweerster het in geding zijnde verzoek terecht heeft beoordeeld als een verzoek om herziening. Ingevolge het bepaalde in artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich mee dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Deze rechterlijke toetsing is des te meer beperkt, omdat het hier een herhaald verzoek om herziening betreft. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is centraal de vraag of eiseres bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar besluit van 18 juli 1996 niet bekend waren dan wel dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, wederom niet gebleken. De Raad moet vaststellen dat eiseres bij het onderhavige herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, in wezen heeft uitgediept en aangevuld hetgeen zij reeds ter ondersteuning van haar eerdere aanvragen had aangevoerd. Eiseres heeft haar eerdere relazen verder toegelicht mede aan de hand van eerdergenoemd artikel van prof. P.M.H. Groen. Ook hetgeen de gemachtigde van eiseres in bezwaar en beroep nog naar voren heeft gebracht betreft niet zozeer nieuwe informatie omtrent de specifieke ervaringen van eiseres doch plaatst de door eiseres beschreven gebeurtenissen in een nauwkeuriger historisch perspectief. Objectieve bevestiging van de - niet altijd consistente - relazen van eiseres of van de getuigen, die slechts in algemene zin beschrijven wat eiseres gedurende de oorlogsjaren heeft meegemaakt, heeft de Raad evenmin als verweerster kunnen vinden in hetgeen eiseres in deze procedure naar voren heeft gebracht. De Raad merkt daarbij nog op, dat algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meerdere of mindere mate een ieder heeft blootgestaan, niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. De Raad merkt tenslotte nog op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de eigen verklaring van een betrokkene, zonder dat er andere, objectieve gegevens zijn die die verklaring ondersteunen, onvoldoende is om de door een betrokkene gestelde gebeurtenissen als vaststaand te kunnen aanvaarden. De enkele omstandigheid dat deze gebeurtenissen passen binnen de historische context acht de Raad daartoe onvoldoende, nu de wetgever nadrukkelijk heeft bepaald dat slechts individuele en directe betrokkenheid bij de in artikel 2, eerste lid, van de Wet genoemde gebeurtenissen kan leiden tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Ook het namens eiseres ingenomen standpunt dat verblijf in zogenoemde beschermingskampen als calamiteit in de zin van de Wet zou dienen te worden aanvaard omdat aldaar vaak weinig bescherming werd gevonden, kan de Raad in zijn algemeenheid niet volgen, nu ook hier de individuele omstandigheden bepalend dienen te zijn. Daarmee is geenszins ontkend dat eiseres het met name in de Bersiap-tijd moeilijk heeft gehad, maar de Wet heeft slechts een beperkte strekking, waardoor slechts als vast staat dat de betrokkene bepaalde, in artikel 2, eerste lid, van de Wet omschreven oorlogscalamiteiten heeft meegemaakt, erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kan plaatsvinden. Hetgeen hierboven is overwogen brengt mee dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde, terughoudende toetsing van de rechter kan doorstaan en dat het beroep van eiseres dus niet kan slagen. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) E. Heemsbergen.