
Jurisprudentie
AV2546
Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1554 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1554 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen sprake van invaliditeit bij eiseres ten gevolge van de internering.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1554 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 16 februari 2005, kenmerk JZ/K70/2005, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Tegen dit besluit heeft eiseres op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006, waar eiseres in persoon is verschenen. Door eiseres als getuigen meegebracht en door de Raad gehoord zijn [getuige 1] en [getuige 2], respectievelijk broer en zuster van eiseres. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, die is geboren op 17 december 1938, heeft in mei 2004 bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet.
Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop aansluitende zogenoemde Bersiap-periode.
Verweerster heeft die aanvraag bij besluit van 7 december 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat wel is komen vast te staan dat eiseres is geïnterneerd geweest in kamp Barongan tijdens de Bersiap-periode en dat dus aanvaard wordt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, maar dat niet is gebleken dat eiseres ten gevolge van haar oorlogservaringen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
Verweerster heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van haar geneeskundig adviseurs die van mening zijn dat de psychische klachten van eiseres niet duidelijk in verband zijn te brengen met haar internering in kamp Barongan. Haar klachten zouden met name veroorzaakt zijn door de bedreigende situatie in Makassar na de Bersiap-periode en door de ernstige tegenslagen in het latere leven van eiseres en voorts niet zodanige beper-kingen geven dat sprake is van blijvende invaliditeit. Ten aanzien van de lichamelijke klachten van eiseres (rugklachten en met whiplash samenhangende klachten) nemen zij het standpunt in dat deze niet samenhangen met de oorlogscalamiteit. De rugklachten berusten op een meralgia paresthetica en de whiplashklachten zijn ontstaan na een verkeersongeval in 1998.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
De bezwaren van eiseres richten zich in het bijzonder tegen de constatering dat haar psychische klachten niet (mede) het gevolg zouden zijn van haar internering. Daarbij wijst zij erop dat ten aanzien van haar jongere zus, die zowel tijdens de oorlog als daarna in vergelijkbare omstandigheden heeft verkeerd, wel is erkend dat zij psychische schade heeft opgelopen.
Uit de stukken blijkt dat eiseres naar aanleiding van haar aanvraag in oktober 2004 is onderzocht door de arts J. Hansma. Deze arts heeft van zijn onderzoek een rapport opgemaakt, waaruit blijkt dat de problemen met inslapen en de angstdromen van eiseres en voorts haar functioneren in het leven van alledag uitvoerig aan de orde zijn gekomen. Hij is tot de conclusie gekomen dat de bij eiseres bestaande psychische problemen vrijwel beperkt blijven tot slaapproblemen en dat die vooral samenhangen met de situatie in het ouderlijk gezin, het overlijden van haar zoon en de woelige tijden na de Bersiap-periode. Daarnaast blijkt de kampperiode van minder betekenis.
Op grond van dit onderzoeksverslag en de van de huisarts van eiseres verkregen infor-matie (inclusief de brieven van specialisten die eiseres behandeld hebben) hebben de geneeskundig adviseurs van verweerster het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van invaliditeit bij eiseres ten gevolge van de internering.
De Raad heeft in de gedingstukken en in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om dat oordeel onjuist te achten.
Dat eiseres zich niet goed kan uiten en vaker nachtmerries zou hebben dan zij bij de arts Hansma heeft aangegeven, brengt op zich niet mee dat eiseres in haar functioneren van alledag meer beperkt zou zijn dan door haar zelf is beschreven. De Raad ziet voorts geen aanleiding te veronderstellen dat juist de kampervaringen van eiseres bij het onderzoek onderbelicht zouden zijn gebleven in vergelijking met haar andere wederwaardigheden.
Met betrekking tot het feit dat de broer en zus van eiseres die ter zitting aanwezig waren wel zijn erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, merkt de Raad op dat ieder aanvraag op zijn eigen merites beoordeeld wordt. Ook al hebben personen gelijksoortige ervaringen, dan wil dat niet zeggen dat die ervaringen ook een gelijke uitwerking op de psychische gesteldheid van de betrokkenen hebben. Voorts blijkt uit de stukken dat bij de erkenning van de broer van eiseres ook andere oorlogservaringen dan de internering een rol hebben gespeeld.
Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

