
Jurisprudentie
AV2547
Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1306 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1306 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
In onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K AM E R
05/1306 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 16 februari 2005, kenmerk JZ/C60/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In april 2004 heeft eiseres, geboren in 1923 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend gericht op erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en op toekenning van een zogenoemde artikel 19-toeslag, een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op gezondheidsklachten die het gevolg zouden zijn van haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië, alsmede de daarop volgende Bersiap-periode.
Bij besluit van 5 november 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond - kort gezegd - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat eiseres is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;
- tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.
Als relevante ervaringen heeft eiseres naar voren gebracht dat zij tijdens de Japanse bezettingsperiode met haar moeder en twee zusjes (haar vader was direct na de Japanse inval van zijn werk bij Ford weggehaald en waarschijnlijk tijdens zijn transport per boot naar Sumatra getorpedeerd) zonder middelen van bestaan onder moeilijke en angstige omstandigheden achter bleef. Ook zou zij getuige zijn geweest van seksueel misbruik van haar beide zusters door Japanners en betrokken zijn geweest bij ongeregeldheden en bombardementen in Soerabaja tijdens de Bersiap-periode en heeft zij dode lichamen zien drijven in de rivier.
Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens vermeld in geraadpleegde relatiedossiers van haar moeder en haar zuster [zuster van eiseres], heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als omschreven in artikel 2 van de Wet voormeld. De Raad merkt hierbij nog op dat het seksuele misbruik van de beide zusters van eiseres in haar geval niet kan worden beschouwd als het op jeugdige leeftijd geconfronteerd worden met zware mishandeling van derden aangezien uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat eiseres daarbij niet direct aanwezig is geweest. Het misbruik geschiedde in een aangrenzende kamer en bovendien was eiseres ten tijde van deze gebeurtenis reeds 18 jaar oud, dus ruim boven de door verweerster gehanteerde en door de Raad als maatstaf voor jeugdige leeftijd aanvaarde maximale leeftijd van 17 jaar.
Uit de gedingstukken en uit hetgeen eiseres steeds - ook in beroep - naar voren heeft gebracht is voorts gebleken dat de aanvraag van eiseres vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe eiseres behoorde heeft ervaren tijdens en (mede) tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode.
De Raad merkt deze omstandigheden aan als algemene oorlogsomstandigheden waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan. Deze algemene oorlogsomstandigheden zijn volgens vaste jurisprudentie van de Raad niet aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. Hiertoe hoort ook het zien drijven van dode lichamen in de rivier en de angst voor Japanse soldaten evenals het meemaken van ongeregeldheden waarbij men niet rechtstreeks is betrokken geweest. Dit betekent ook dat verweerster, nu van onder de Wet vallend oorlogsgeweld niet is gebleken, aan een beoordeling van de door eiseres naar voren gebrachte gezondheidsklachten niet meer kon toekomen.
Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad merkt nog op dat hiermee zeker niet is beoogd te miskennen dat eiseres tijdens de oorlogsjaren bijzonder angstige en moeilijke tijden heeft meegemaakt. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.

