
Jurisprudentie
AV2551
Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/645 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/645 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen sprake van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/645 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 29 december 2004, kenmerk JZ/I/70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006. Aldaar is voor eiser verschenen zijn gemachtigde mr. Van Berkel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in september 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om ingevolge de Wet, te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en een bijzondere voorziening. In dat verband heeft eiser aangegeven dat bij hem gezondheidsklachten bestaan die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen gedurende de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indiƫ en de daarop volgende Bersiap-periode.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 24 maart 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiser weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten internering in een school te Sragen en voorts in een groot gebouw te Lojiwetan tijdens de zogenoemde Bersiap-periode - maar dat ten aanzien van eiser niet is voldaan aan de ingevolge de Wet geldende eis dat sprake is van lichamelijk of psychisch letsel tengevolge van de oorlogscala-miteiten, leidende tot blijvende invaliditeit.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Het standpunt van verweerster is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs, de artsen A.J. Maas en M. Hoornstra-Deurloo. Deze adviezen berusten op een rapport van onderzoek van eiser dat op 6 februari 2004 door de arts G.J. Laatsch bij eiser is uitgevoerd alsmede op de van de huisarts van eiser ontvangen informatie. Uit genoemd rapport komt naar voren dat er bij eiser (deels) sprake is van causaal psychisch letsel (te weten enkele kenmerken van een PTSS) maar dat dit letsel niet gepaard gaat met zodanige beperkingen dat gesproken kan worden van een invaliditeit in de zin van de Wet en voorts dat de bij eiser aanwezige lichamelijke klachten (te weten status na halsklier tbc, diabetes mellitus type II, maagklachten en hoofdpijn en lumbago) niet in verband met de oorlogservaringen kunnen worden gebracht.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
Op grond van de voorhanden medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel. Zo komt uit het rapport van de arts Laatsch naar voren dat eiser als gevolg van zijn psychische klachten enige malen per week slecht slaapt en soms geplaagd wordt door nachtmerries maar - zoals eiser zelf aangeeft - hier overdag weinig hinder van ondervindt. De vanwege eiser ingebrachte informatie, afkomstig van de psychotherapeut P. Savelkoul, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu deze onderzoeksgegevens niet wezenlijk verschillen van de resultaten van bovengenoemd onderzoek van de arts Laatsch en deze gegevens eveneens wijzen op geringe tot matige beperkingen in slechts een van de vier rubrieken - het dagelijks functioneren van eiser - die verweerster bepalend acht voor het bestaan van invaliditeit.
Nu geen medische gegevens beschikbaar zijn die wijzen op beperkingen in een van de andere rubrieken te weten, sociaal functioneren, concentratie - en doorzettingsvermogen, tempo alsmede adaptatie aan stressvolle omstandigheden, ziet ook de Raad geen aanleiding tot het doen instellen van een nader psychiatrisch onderzoek zoals van de zijde van eiser verzocht.
Het vorenstaande betekent dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.

